De Stille Kracht van Europa

EU – sceptici hebben ongelijk. De Europese Unie is het beste wat het continent is overkomen, sinds het einde van WOII. De hele wereld kan leren van het vredesmodel. Terwijl de VS zich manifesteert als politieagent en wereldleider op economisch, technologisch, politiek en militair terrein, beitelt Europa namelijk stug voort aan het ultieme kunstwerk: een Aards Paradijs.

EU – sceptici hebben ongelijk. De Europese Unie is het beste wat het continent is overkomen, sinds het einde van WOII. De hele wereld kan leren van het vredesmodel. Terwijl de VS zich manifesteert als politieagent en wereldleider op economisch, technologisch, politiek en militair terrein, beitelt Europa namelijk stug voort aan het ultieme kunstwerk: een Aards Paradijs.

Frank van Empel voor nonfiXe

Waar de Verenigde Staten van Amerika zichzelf profileren als wereldleider op vrijwel elk terrein, daar werkt Europa met vallen en opstaan aan de concretisering en verwezenlijking van een droom, de Europese Droom dat er nooit meer oorlog en geweld zal zijn in een uitdijende ruimte van inmiddels 27 landen, simpelweg omdat er geen reden meer is voor individuen en natiestaten om zich met geweld toe te eigenen wat men vrijwillig niet bekomt. Verschillen in welvaart, welzijn en ontwikkelingskansen zijn belangrijke bronnen voor onvrede en uitzichtloosheid, voor haat, nijd en gewelddadigheid. Door welvaart, welzijn en ontwikkelingskansen te geven aan de achterblijvende regio’s, wijken en buurten van de Europese Unie, krijgen de have nots daar ineens weer perspectief, zonder dat dit ten koste gaat van de haves in Nederland, Duitsland en bij andere donateurs. Wat zij ogenschijnlijk weggeven komt via diverse kanalen namelijk ook weer terug. Ten eerste hebben ook de relatief welvarende lidstaten probleemregio’s die in aanmerking komen voor Europese steun. Hoe groter de bijdrage van een lidstaat aan de structuurfondsen, hoe omvangrijker de steun die toebedeeld wordt aan de relatief zwakke regio’s in de betreffende lidstaat. Die steun is geen weggegooid geld. De have nots besteden het geld dat ze vanuit Brussel krijgen en het  geld dat ze – mede dank zij de EU-fondsen – zelf verdienen voor tweederde weer in Europa, waarvan de donateurs van de structuurfondsen meeprofiteren. Niet in de laatste plaats omdat de hele Europese economie een bestedingsimpuls krijgt. Per saldo gaat iedereen erop vooruit.  Dat is  ten minste de bedoeling. Met de kanttekening dat dit een macro economische benadering is, die werkt als een knikkerbaan. Als alle ballen in de daarvoor bestemde gaatjes vallen, is het resultaat optimaal. Maar dat is zelden het geval. De werkelijkheid houdt het midden tussen uitersten die naar elkaar toe bewegen. Het beleid dat dit economisch, ecologisch en sociaal naar elkaar toe bewegen van uiteenlopende regio’s in Europa ondersteunt, wordt het cohesiebeleid genoemd. Het heeft de periferie van Europa welvaart en welzijn gebracht. De verdiensten van het cohesiebeleid zullen uitstralen naar de landen buiten de EU, die economisch, ecologisch en maatschappelijk-cultureel met de EU zijn verknoopt en daardoor met Europa zijn meegegroeid.

Achter en onder het Europese beleid, zoals dat officieel naar buiten wordt uitgedragen, ligt de stille kracht van Europa: een uniek bestuurskundig raamwerk, waarbinnen op subtiele, beheerste wijze gigantische veranderingen plaatsvinden. De Europese Unie heeft 20.000 ambtenaren (minder dan een stad als Amsterdam), een groot budget en een evenredig groot grondgebied. De uitvoering van beleid vindt plaats op afstand, op het niveau van de lidstaat of regio. Dat moet ook wel met zo’n relatief klein ambtenaren apparaat. Daarom stuurt de EU op verantwoording. Hieruit komt het imago voort dat de boekhouder regeert, maar in feite is dat de consequentie van de enorme flexibiliteit en vrijheid die sinds 1986 in het systeem zitten. Toen kreeg het cohesiebeleid zijn huidige vorm in de Europese Akte. Het lange termijn cohesiebeleid dat de structuurfondsen omvat en overstijgt, gaat niet mee met de waan van de dag, maar brengt en houdt Europa op consistente, structurele wijze bij elkaar. En zoals de EU, zo berust ook het cohesiebeleid op een paar simpele principes, namelijk:

  1. toespitsen op de armste- en meest achtergestelde regio’s;
  2. programma’s voor meerdere jaren;
  3. strategische oriëntatie van de investeringen;
  4. betrokkenheid van regionale en lokale partners.

De Europese geldstromen lopen van rijk naar arm door de beddingen van drie structuurfondsen: het ESF (1958), Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de Landbouw (EOGFL, 1962) en Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling (EFRO, 1975). Van kabbelende beekjes groeiden deze drie geldstromen uit tot snel wassende rivieren. Bedroegen de jaarlijkse betalingen van de drie fondsen in 1988 nog 6,4 miljard ECU[1], ofwel 16% van de totale EU-begroting, in 1993 was dat al opgelopen tot 20,5 miljard ECU: 31% van de EU-begroting. Voor de periode 2000-2006 was voor Structuur- en Cohesiefondsen een budget beschikbaar van in totaal €213 miljard voor de EU-15 en €21,7 miljard voor de tien nieuwe lidstaten. Goed voor een derde van de EU-begrotingen 0,4%van het BBP van de EU.[2]

Om een indruk te geven van de omvang van een structuurfonds: voor de periode 2007-2013 stonden 117 ESF-programma’s op de rol met een totale waarde van ruim 75 miljard EUR.  Die 75 miljard moeten worden omgezet in tastbare resultaten en vooruitgang. Dat is de opdracht die Europa zichzelf stelt.

En het beleid is succesvol. De EU realiseerde sinds 1988 een enorme economische en sociale convergentie. Op nationaal niveau kenden Griekenland, Spanje, Ierland en Portugal – de meest begunstigden van het cohesiebeleid – een aanzienlijke groei. In de periode van 1995 tot 2005 klauterde Spanje bij voorbeeld van 91 % van het gemiddelde bruto binnenlands product per hoofd van de EU-bevolking naar 102 %, en Ierland van 102 % naar 145 %. Gelijkaardige resultaten worden verwacht in de nieuwe lidstaten, waar het cohesiebeleid nog maar pas zijn invloed laat gelden en de hoge groeicijfers ondersteunt.

Op regionaal niveau zorgde de relatief sterke economische groei van de regio’s met een laag BBP per hoofd er, zoals eerder al werd gesuggereerd, voor dat de EU-regio’s naar elkaar toe bewogen (convergentie). In de periode van 1995 tot 2004 daalde het aantal regio’s met een BBP per hoofd van minder dan 75 % van het EU-gemiddelde van 78 naar 70, en zakte het aantal regio’s die beneden 50 % van het EU-gemiddelde scoren van 39 tot 32.

Het cohesiebeleid verbetert de concurrentiepositie van de regionale economieën door ‘Europese’ collectieve goederen te leveren die de markt niet kan leveren, zoals grote transport- en energienetwerken, een krachtig Europees milieubeleid en investeringen in onderwijs, onderzoek en ontwikkeling. Een kwart van de middelen gaat nu naar onderzoek en innovatie en ongeveer 30% naar milieu-infrastructuur en maatregelen ter bestrijding van de klimaatverandering.

Maar de toegevoegde waarde van het cohesiebeleid stijgt ver uit boven de investeringen in groei en banen. Door zijn unieke bestuursmodel op verschillende niveaus zijn lokale en regionale actoren betrokken bij het ontwerp en de uitvoering van het beleid. Met als voordeel: efficiëntie en de inbreng van plaatselijke kennis.

Het cohesiebeleid zorgt ook voor talloze grensoverschrijdende en transnationale programma’s en netwerken, hetgeen mensen uit diverse landen dichter bij elkaar brengt. Het cohesiebeleid steunt op middelen en mensen die ter plekke aanwezig zijn, wat de acceptatie van beleid door burgers aanzienlijk bevordert.

Het cohesiebeleid is dynamisch en onconventioneel. Het bestrijkt lange periodes van vijf of tien jaren en het dijt uit, tot zelfs buiten Europa. Zo ondersteunt de EU  de landen ten Zuiden en Oosten van haar huidige grenzen financieel als ze voldoen aan enkele strikte voorwaarden. In feite wil de EU haar eigen vrijhandelszone verder uitbreiden. De creatie van een uitgestrekte Europese Economische Gemeenschap  (EEG) met geringe welvaartsverschillen, met democratie en mensenrechten, waar een vrij verkeer van goederen, diensten, mensen en kapitaal is, de druk van allerlei milieuvraagstukken wordt verlicht en waar vrede heerst. Dit is niet alleen een politiek en een economisch experiment zonder weerga, maar vooral ook een maatschappelijk culturele revolutie, omdat drie wereldgodsdiensten worden ingekaderd in een tot voor kort ondenkbare Europese ruimte die zich uitstrekt tot ver buiten de geografische grenzen van Europa als Werelddeel. De Europese Droom gaat zelfs zo ver, dat de Europese Allemaal Winnen[3] Gedachte ooit de hele Wereld zal binden in vrijheid, vrede en geluk. Een Paradijs op Aarde. Toppunt van duurzaamheid.

nonfiXe, 20 februari 2012


[1] De waarde van de euro was op 31 december 1998 – de dag voor de invoering van de euro – precies gelijk aan de waarde van de Ecu. Dit is de European Currency Unit. De waarde van de Ecu is gelijk aan een bepaald gewogen gemiddelde van de waarde van een aantal munten uit de EU. Het is een rekeneenheid; je kunt er niet mee betalen, met de euro wel.

[2] Inforegio, Nr 26, juni 2008, blz 21.

[3] ‘Allemaal Winnen’ is de titel van het proefschrift van Martin Bakker en Frank van Empel over duurzame, regionale ontwikkeling, april 2012, Erasmus Universiteit Rotterdam. Basisgedachte hier: het is beter voor iedereen om samen te werken aan nieuwe combinaties die waarde toevoegen aan wat al bestaat, dan elkaar kapot te concurreren.

Haves & have nots

Een van de vier wereldbeelden uit Beleef 2030, toekomstscenario’s voor de energiewereld: haves & have nots – hyperindividualisme – tribal society – vrijwillige eenvoud. Allen draaien om de assen geopolitieke (in)stabiliteit en mate van technologische vooruitgang. Geschreven in het voorjaar van 2003 in opdracht van Essent. Alle vier de wereldbeelden en enkele ondersteunende interviews met sleutelspelers in de samenleving zetten we op deze site. Waarom? Omdat we ze nog steeds actueel vinden.
Have & have nots is een toekomstscenario uit het kwadrant: hoogwaardige technologische ontwikkeling in combinatie met geopolitieke instabiliteit: Alles kan, voor wie toegang heeft tot de juiste bronnen.

 

Wereldbeeld 2030: Haves & have nots

Hun lippen zweven dicht langs elkaar. Trillend als vlindervleugels. Elkaar net niet rakend, net wel rakend, zacht tintelend spel. Langzame tongen, luikende ogen en wandelende vingers die verkennend langs de hals naar beneden kruipen. Een kus teder als een ademtocht.

Plotseling klinkt geraas van ouderwetse straalmotoren door de lucht. De geliefden schrikken op, werpen elkaar een verschrikte blik toe en duiken het struikgewas in. Hun gezichten bedekt met infrarood werend folie. De camera zal hun gelaatstrekken niet vastleggen, vandaag niet. ‘Ik houd van je, lief,’ zegt hij, terwijl hij terugsluipt naar de compound. Zij kijkt hem na, een traan in haar oog. Ineens is hij weg.

De straaljagers komen terug. Het deert haar niet meer. Vliegtuigen die dertig jaar geleden als high-tech gevechtsmachines dienst deden, vliegen nu patrouillevluchten voor de veiligheid van de compound. Hun uitrusting is hedendaags. Onbemand vliegen ze al filmend over de gebieden buiten de compound. Iedere beweging signalerend. Ter controle, ter beheersing van het getto en het Voorgeborchte – de strook land tussen compound en getto. Marie-Anne is er nooit binnen geweest, in die luxe compound. Haar enige binding is Luc, haar geliefde, die zich uit nieuwsgierigheid buiten waagde. Het was liefde op het eerste gezicht, zoals zij nog nooit had meegemaakt. Hij ook niet trouwens.

Luc ruikt haar huid nog als hij de overdekte stad binnenloopt. Niemand heeft hem opgemerkt. Hij fluit voor zich uit en kijkt naar de fel gekleurde tropische vogels die vrij rondvliegen in de klimatologisch gestuurde omgeving – zijn thuis. Geen vuiltje in de lucht, geen papiertje op de grond. ‘Wel even anders dan buiten’, schiet het door zijn hoofd. ‘Buiten’ is de naam die gematigde compoundbewoners voor het getto en het Voorgeborchte gebruiken. Luc is jong – 17 jaar pas – en onderzoekend. Hij laat zich niet beperken door repressieve wetten die hem binnen de veilige beslotenheid van de compound moeten houden. Zijn technische opleiding verschaft hem aardig wat kennis, waardoor hij de strenge veiligheidsmaatregelen gemakkelijk kan ontduiken. Vaak met de simpelste trucjes, zoals de folie waar infrarood camera’s niet door heen kunnen kijken. Niet dat hij niet naar buiten mag. Bewoners van de compound mogen onbeperkt vliegen naar andere gekwalificeerde compounds in de wereld. Het getto is echter min of meer taboe. Het is er onveilig en je kunt er daarom beter niet in je eentje komen. In groepsverband, met bewapende guards, is het wel te doen. De doorsnee bewoner van TechTown waagt zich zo’n drie keer per jaar in het getto. Nou ja, van ‘wagen’ is niet echt sprake. Het gaat meestal in colonne, met geblindeerde ramen en een vast doel: een oase in de wildernis, die tevoren is onderzocht op wapens, verdachte voertuigen en personen. In de oase kun je de vreemde geuren van het getto opsnuiven. Als het winter is kun je er zelfs kou lijden en erwtensoep eten. Een genot dat de bewoners van TechTown al lang niet meer gegeven is.

Luc houdt zijn hoofd voor de irisscanner en opent de voordeur. Zijn appartement heeft alles wat een jonge man van zeventien begeert. Aan comfort, luxe en persoonlijke service geen gebrek. De revolutie in de biotechnologie heeft overal sporen achtergelaten. Door het oog niet waarneembare micro-organismen doen de was en de schoonmaak. Ze houden de ruiten schoon en verorberen het afval. Een huisrobot, of ‘huishoudster’, ordent zijn spullen en ruimt apparaten in en uit. De binnenwanden zijn dun en gemakkelijk verplaatsbaar. Alleen al het afgelopen jaar heeft Luc zijn appartement vier keer anders ingericht. Hij is onrustig. Zijn mentor zegt dat het aan de puberteit ligt, maar volgens Luc zelf is het fundamenteler. Het gebeurt steeds vaker dat hij midden in de nacht hevig transpirerend wakker wordt. Afgelopen nacht droomde hij nog dat Marie-Anne ernstig ziek was. Hij zou en moest haar redden, maar hoe? Zij beschikt niet over de afweermechanismen waarover hij en andere compoundbewoners beschikken. Aan het zorgvuldig geselecteerde embryo dat uitgroeide tot Luc zijn destijds genen meegegeven die hem beschermen tegen kanker, hart- en longziekten en andere levensbedreigende kwalen. Zijn levensverwachting ligt daardoor een stuk hoger dan die van zijn leeftijdsgenoten in het getto. Luc vindt dat onrechtvaardig. Hij ligt er vaak over te peinzen. ‘Misschien denk ik wel te veel’, zegt hij binnensmonds. Maar er is nog geen gen gevonden dat het denken over sociale onrechtvaardigheid kan stopzetten. En dus mijmert Luc nog even door. Hij zet zijn bed in de comfortstand en voelt het golven van de automatische, op zijn individuele wensen afgestelde, rugmassage. Is die technologische vooruitgang in elk geval ergens goed voor, denkt hij, en doet een uiterste poging om Marie-Anne even uit zijn gedachten te zetten.

Luc sluit zijn ogen. Hij moet alles wat hij van yoga weet aanwenden, voor het hem lukt om zich te ontspannen. Zijn gedachten drijven weg van zijn geliefde. Na een kwartier sluipt er toch weer onrust in zijn hoofd. Maar nu is die heel concreet. Luc denkt aan de alsmaar breder wordende kloof tussen rijk en arm. Het gaat daarbij al lang niet meer alleen om geld en wat je voor geld kunt kopen. Het gaat om veel wezenlijker zaken: de kans op een lang en gezond leven, intellectuele en fysieke capaciteiten, vrijheid… Zijn lichaam ligt nog steeds heel ontspannen op het licht golvende bed, maar zijn hoofd spint.

De verschillen tussen haves en de have-nots, zo realiseert Luc zich, zijn met sprongen gegroeid, sinds een jaar of twintig geleden genetische verrijking gemeengoed werd. Sinds die tijd bedenkt elke generatie compounders nieuwe manieren om hun kinderen te bevoordelen. Met elke generatie worden de kinderen van de haves slimmer, gezonder en sterker. Dat heeft geleid tot een tweedeling in de menselijke soort, waarbij genetisch verrijkte mensen het niet meer nodig vinden om nog respect te hebben voor ‘gewone mensen’. De samenleving werd er fundamenteel anders door. De haves beheersen de politiek en houden hun eigen macht in stand.

Genetica was het lievelingsvak van Luc op school. Verschillen tussen mensen, dieren en planten hebben hem altijd gefascineerd. Later is hij zich vooral gaan verdiepen in de sociale gevolgen van selectie en manipulatie. In zijn boekenkast staan vergeelde exemplaren van de autobiografie van Charles Darwin, Remaking Eden van Lee M. Silver, een moleculair bioloog van de universiteit van Princeton, en L’homme criminel van César Lombroso. Hij haalt zich dat laatste boekje voor de geest. Begin twintigste eeuw, zo las hij daar, werd er vanuit gegaan dat sociale problemen, zoals zwakbegaafdheid, alcoholisme en crimineel gedrag erfelijk bepaald waren. Toen is de veredelijking van de menselijke soort al begonnen. Waardeloze en waardevolle burgers werden van elkaar gescheiden. Er kwamen wetten om huwelijken tussen geesteszieken of mensen met geslachtsziekten te ontbinden. Dronkaards en mensen met besmettelijke ziekten mochten geen kinderen krijgen. Ingrijpen in het recht van mensen om zich voort te planten werd normaal gevonden. Zo kwamen er sterilisatiewetten voor verkrachters, criminelen, epileptici en zwakzinnigen. Streng lichamelijk en geestelijk onderzoek bij (potentiële) immigranten uit Afrika en Azië leidde er toe dat veel mensen werden afgekeurd en dat de immigratie aan banden werd gelegd.

In andere boeken las Luc dat de Nazi’s het honderd jaar geleden helemaal bont maakten. Zij streefden naar volledige uitroeiing van joden, zigeuners en homoseksuelen. Geen wonder dat de eugenetica – de wetenschap die zich bezighoudt met de veredelijking van de menselijke soort – na de Tweede Wereldoorlog lange tijd werd verketterd. Met de eugenetica verdween ook de genetica in de vergeethoek. Van volstrekt misbruik van de genetica belandde de samenleving in precies de tegenovergestelde situatie waarin de rol die genen spelen bij ziekten simpelweg werd ontkend. Deze situatie hield enkele decennia aan. Tot de genetica, aan het eind van de vorige eeuw, ineens aan een onstuitbare comeback begon. Planten en dieren kregen op grote schaal genen toegediend. Zo werden koeien gemodificeerd met een gen dat het menselijk insuline-eiwit codeert dat diabetici nodig hebben. De betreffende koeien produceren dat geneesmiddel in hun melk, die vervolgens aan diabetici werd gegeven. Tal van dergelijke toepassingen verhoogden het welzijn van de mens. En niemand was daar tegen. Toepassingen van genetische modificatie op de mens waren echter lange tijd uit den boze, omdat men dacht dat het genoom dat ons bepaalt, verbonden is met de menselijke ziel. En het werd onethisch gevonden om in te grijpen in die ziel. Uiteindelijk won het gezonde verstand. Het menselijk genoom brengt ziekten voort, zo toonden wetenschappers onomstotelijk aan. Als je je kinderen voor die ziekten kunt behoeden, waarom zou je dat dan laten? Toen die visie dominant werd, zo rond 2006, ging het snel.

Genetische modificatie zorgt ervoor dat tal van lichamelijke en geestelijke ongemakken (een voorbeeld van dit laatste is manische depressiviteit) nagenoeg worden uitgebannen bij de mensen die het zich kunnen veroorloven. En de nanotechnologie maakt dat resterende of nieuwe onvolkomenheden tijdig worden herkend en aangepakt. Bewoners van de compound dragen hun medische dossier continu bij zich op microchip. Het getto heeft al die technieken niet. Kanker, hart- en vaatziekten, aandoeningen aan de luchtwegen, zenuwziekten en AIDS komen daar nog op grote schaal voor. De compoundbewoners doet het niks. Ziekten voorkomen op natuurlijke wijze dat het bewonersaantal buiten al te zeer uitdijt en de compound op nog hogere veiligheidskosten jaagt. Maar Luc doet het wel degelijk wat. Hij wil zijn Marie-Anne beschermen tegen al het kwaad, en komt er hoe langer hoe meer achter hoe onrechtvaardig groot de verschillen tussen mensen zijn geworden. Niet alleen in inkomen, wooncomfort en luxe, maar ook in levenskansen. De gemiddelde levensverwachting van de compoundbewoner is nu al tien jaar hoger dan die van de doorsnee gettobewoner, en dat verschil zal alleen maar groter worden.

Als een ernstige ziekte zich in het getto of het Voorgeborchte openbaart, is er over het algemeen weinig meer aan te doen. Als hij dit soort gedachten over de maatschappelijke ongelijkheid toelaat, komt Luc altijd automatisch terecht bij Marie-Anne. Hoe zou hij haar kunnen helpen? Het is onmogelijk om zelf de ziekte te veinzen en aan medicamenten te komen. Hij zou meteen door de mand vallen. Zijn DNA-structuur ligt immers vast en zijn gencodes sluiten per definitie niet aan bij die van Marie-Anne. Hij zou met haar kunnen trouwen, maar zou zich daarmee diskwalificeren voor allerlei functies in de compound. Het is niet verboden om een relatie aan te gaan met iemand uit het getto, maar de sociale druk om het níet te doen is groot. De compoundbewoners achten zich genetisch superieur aan gettobewoners en willen dat weten ook.

Trouwen is overigens een tamelijk achterhaald gebruik. Jongeren zoals Luc leven voornamelijk op zichzelf. Ze hebben veel wisselende relaties en binden zich zelden voor langere tijd. Voor de voortplanting hoeven ze het al helemaal niet te doen. Al voor Luc’s geboorte is bepaald wiens eicel later wordt bevrucht met zijn sperma. De vrouw is uitgezocht door de computer en zal voor hem geen naam hebben, alleen een nummer. Wat maakt het uit? Haar genen matchen het best met die van hem. Daar gaat het om. En om het feit dat ze tot dezelfde groep behoort natuurlijk. Kinderen met een gemengde achtergrond komen vrijwel niet voor. De sociale structuur van de compound, met daarbinnen groeps- en familierelaties leggen je leven al op voorhand vast.

Als hij dit denkt, bekruipt hem een gevoel van walging. Onvolkomenheden en onvoorspelbaarheden hebben ook zo hun charmes. Wat is er tegen een kromme neus, een moedervlek op de wang, vroege kaalheid, impotentie, de zucht naar avontuur…?  ‘Ik moet haar zien’, flitst het ineens door zijn hoofd. Zijn buik gloeit. ‘God wat verlang ik naar haar! Nog drie dagen…’ Met zijn rechterhand toetst hij snel een paar knoppen in van het bedieningspaneel naast zijn bed. De golvende bewegingen van zijn vloeistofbed stoppen acuut.

Marie-Anne is op datzelfde moment thuis, met haar moeder en twee zussen. Ze zit op haar kamer te schrijven – ouderwets, met de pen! De lange lussen in sommige letters maakt ze bewust heel traag. Heel rustgevend vindt ze dat. Ze denkt aan Luc en is zichtbaar in de war. Aanvankelijk wantrouwde ze Luc. Ze dacht dat het hem alleen om spannende seks buiten de compound te doen was. Een bizarre kick. Wel meer mannen zoeken wilde seks in het getto, waar de vrouwen niet zo geconditioneerd zijn. In de ogen van de compounders zijn ze zelfs primitief, maar wel op een heel plezierige, zinnenstrelende, manier. Bij Luc merkte ze de eerste keren van hun stiekeme samenzijn ook een zekere terughoudendheid op. Hij verdacht haar er vast van dat ze via hem een verblijfsvergunning voor de compound wilde versieren. Ze heeft het hem nooit durven vragen. Dat hoefde ook niet. Als hun blikken elkaar vonden, verdwenen de reserves gauw. God, wat is zij gek op hem. Tegelijkertijd is ze bang, heel bang. De compound is een gesloten, afgeschermde, tamelijk autarkische wereld. Compoundbewoners onderhouden intensieve contacten met bewoners van andere compounds, maar worden niet geacht hechte relaties met mensen uit het getto aan te knopen. De gettomensen die voor en/of in de compound werken worden stelselmatig genegeerd of met neerbuigende welwillendheid bejegend.

Compound is eigenlijk een verkeerde aanduiding, zo heeft ze van Luc geleerd. Van oorsprong is het de aanduiding voor een verzameling gebouwen op een erf, iets kleinschaligs dus. Later werd het begrip opgerekt tot hele wijken, of zelfs stadjes, die afgeschermd zijn van de buitenwereld door een hek of een onzichtbare, maar voelbare afscherming (sociale controle, burgerwachten, draadloze alarminstallaties, cameratoezicht). Het begrip citadel, vestingstad, zou wat dat betreft meer op zijn plaats zijn. Maar ook dat is een nog te kleinschalige aanduiding voor een gebied ter grootte van West-Nederland, waar anno 2030 tien miljoen mensen wonen. De corridor buiten de compound wordt continu met infrarood camera’s gescand op verdachte bewegingen. Al het binnenkomend verkeer wordt subtiel gecontroleerd. Je merkt er niet zoveel van, maar de controle is strenger en effectiever dan die van het vroegere Oostblok, dankzij de techniek.

Toch is TechTown geen geïsoleerde compound. Vanaf de mega-vliegvelden worden mensen, goederen en brandstof (vooral waterstof) in- en uitgevlogen. Ook via het intranet en supranet staat TechTown in contact met de vele andere compounds in Europa, Amerika en Azië. Zonder de kennisuitwisseling via supranet was de hoge stand van de techniek, met name op het gebied van genetica, energie en biotechnologie, onmogelijk geweest. De technologische vooruitgang heeft gezorgd voor een economische groei van gemiddeld twee procent per jaar, die de samenleving heeft behoed voor versplintering. Er is weliswaar sprake van een onderklasse, maar die berust in de ontstane situatie.

In het getto kan het er tamelijk ruig aan toe gaan, zo weet Marie-Anne uit eigen ervaring, maar er is geen sprake van anarchie. De sociale infrastructuur is primitief, maar op een bepaalde manier toch hecht. Mensen proberen er voor zichzelf zo veel mogelijk uit te slepen, maar behoren doorgaans tot wijdvertakte families, die elkaar ontzien. Dat zorgt, tegen de verdrukking in, toch nog voor enige stabiliteit. Sommige van die families hebben echter maffia-achtige kenmerken. Als zij Luc ontdekken zullen ze losgeld eisen. Of ze doden hem uit pure jaloezie. Dat is de reden waarom Marie-Anne met niemand over haar geheim durft te praten.

Het valt haar wel steeds moeilijker. Hoe meer ze over het leven in de compound te weten komt, hoe meer ze de neiging heeft om die kennis te delen met anderen. In elk geval met haar moeder en zussen. Maar ja… dat kan niet zonder over Luc te praten en hem dus in gevaar te brengen. Bang als ze is om iets te vergeten, is ze begonnen met het maken van aantekeningen. Twee soorten notitieboekjes houdt ze erop na. Rode voor de meer persoonlijke ontboezemingen en blauwe voor de meer feitelijke mededelingen over de samenleving in en buiten de compound. Over wonen en werken, natuur en gezondheid, de energievoorziening…  Marie-Anne heeft er een obsessie voor ontwikkeld. Ze heeft nooit geweten dat ze zo leergierig was. Zou ze zich dan toch onbewust willen kwalificeren voor de compound?

Marie-Anne stopt met schrijven en bladert terug in het blauwe boekje. Alsof ze de vele feiten in haar geheugen wil griffen, leest ze de woorden die de compound en haar eigen wereld tot leven brengen…

‘Leven zonder Samenleving’ staat er in grote letters bovenaan de eerste pagina, met daaronder een paar onsamenhangende krabbels:‘gebrek aan solidariteit, scherpe tegenstellingen tussen arm en rijk en tussen verschillende regio’s in de wereld.’ Zelfs binnen regio’s zijn de tegenstellingen groot’, leest ze,‘met eilandjes van een welvarende elite temidden van grote gebieden die verpauperen.

Binnen regio’s verzwakt de sociale en politieke cohesie en tussen regio’s neemt de rivaliteit toe, staat even verderop in iets ander handschrift. De grote instituties – zoals de VN, de EU, en de WTO – zijn het instrument van de haves geworden. uiteengevallen of tot een minimum teruggebracht, waardoor handel en economie ernstig gehinderd worden.’

Dwars over de tweede pagina staat in grote hanenpoten: ‘…diepe geopolitieke crisis, met de olie in het Midden-Oosten als inzet.’ Veel woorden zijn uitgevlakt. Met moeite ontcijfert Marie-Anne enkele kernbegrippen: ‘eigenbelang van de regio’s, antiglobalisme’. Gaandeweg wordt haar handschrift vloeiender, uniformer ook. Marie-Anne slaat wat pagina’s over en leest: ‘Mensen leven in clusters die zich virtueel en soms ook geografisch verenigen. Tussen de diverse compounds in de wereld bestaan intensieve contacten. De contacten met de diverse getto’s daarentegen zijn afstandelijk en tamelijk functioneel. Gettobewoners werken voor en ook vaak in de compounds, maar worden als tweederangs burgers beschouwd. De minimale solidariteit tussen haves en have-nots betekent een maatschappelijke verarming. Scherpe welvaarts- en welzijnsverschillen tussen haves en have-nots maken de samenleving hard en vol spanningen. Onveiligheid en geweld vormen een permanente dreiging. Mensen jagen achter de laatste ontwikkelingen aan. De welvarenden beschikken over een ingebouwde chip om hun gezondheid te monitoren. Op individueel en collectief niveau geldt het devies: problemen pakken we aan middels technologische uitvindingen en toepassingen en niet via gedragsverandering. In de ideologie van de ongecontroleerde vrije markt overheerst het idee ‘go for it’.  Alles kan, voor wie toegang heeft tot de juiste bronnen.’

Formeel taalgebruik, zonder emoties. Voordat ze Luc ontmoette, wist ze niet dat ze op deze manier kon schrijven. In het schriftje zit ook een dubbelgevouwen computerprint die ze van een vriendin heeft gehad. Onder het kopje ‘Compounds en getto’s’ valt daarin te lezen hoe vanuit het getto naar de compound gekeken wordt. ‘De meest welvarenden’, leest ze, verschansen zich in compounds. Daarbinnen financieren zij zelf de bescherming van have en goed. Bewakingsdiensten, onderwijs, en ook andere dienstverlening zoals zorginstellingen zijn binnen de compounds op privé-basis voorhanden. De woningen in de compounds zijn ruim, want wonen en werken worden zoveel mogelijk gecombineerd. Werken verliest daardoor zijn sociale functie, voor de kleine groep die de slag om overleving – survival of the smartest – overwint. Er wordt flink heen en weer gevlogen tussen de diverse compounds in de wereld en dankzij de hoogwaardige informatie- en communicatietechnologie is een scala aan virtuele belevenissen mogelijk.’

Langzaam bladert ze door haar notitieblok en leest in het van Luc gestolen jargon: ‘Het andere uiterste is in de randgebieden te vinden, in de arme voorsteden van de welvarende regio’s en in grote delen van de minder ontwikkelde regio’s van de wereld. Vanuit die arme regio’s komt een voortdurende stroom migranten, waarvan de elite wordt weggekocht in een constante brain-drain.’

Onder het kopje ‘overheid’ staat dat de overheid op sterven na dood is. En alleen de functie van nachtwaker blijft uitoefenen, ofwel: de staat concentreert zich op de zwaardmacht van orde, recht en defensie. ‘Nationale overheden zijn politiek gezien heel zwak en worden beheerst door de upperclass,’ leest Marie-Anne hardop, ‘regionale en stedelijke overheden zijn des te sterker. De regio’s en steden concurreren met elkaar door bedrijven te werven met extra diensten op het gebied van bijvoorbeeld bewaking en bescherming. Tussen de regio’s ontstaan grote verschillen. Lokale potentaten vullen het machtsvacuüm op na het wegvallen van de staat.

Verkiezingen op nationaal niveau hebben nauwelijks nog zin. Op lokaal niveau overheerst het imago van de kandidaat die gekozen wordt voor concrete functies als officier van justitie, burgemeester en afvalverwerker. Algemeen onderwijs en gezondheidszorg zijn tot een minimum teruggebracht, extra opleiding en zorg zijn toegankelijk tegen hoge bijbetalingen en verzekeringen.

Het maatschappelijke debat, voorzover daarvan sprake is, wordt beheerst door het geloof in de technologische vooruitgang enerzijds en heimwee naar de oude, gereguleerde orde anderzijds. Religieuze bewegingen bloeien op als gevolg van de sterk toegenomen bestaansonzekerheid.’

Een pagina of vier verder wordt haar blik getrokken door de woorden ‘Milieu, energie en klimaat’. Marie-Anne laat zich wat achteroverzakken in de oude, rieten stoel op haar kamer. ‘Er is weinig aandacht voor het milieu. De CO2-uitstoot is flink toegenomen en dat heeft onder meer geleid tot een flinke stijging van de zeespiegel. Binnen de compound is wél oog voor dergelijke problemen. De milieu- en klimaatproblematiek wordt echter benaderd vanuit lokale symptoombestrijding: hogere dijken, herinrichting van het landschap, milieuvriendelijke productiemethoden. Bij gebrek aan supranationale instituties is het onmogelijk om de grote dreigingen op het juiste, mondiale niveau aan te pakken. De rampen als gevolg van de klimaatverandering zijn belangrijke oorzaken voor de wereldwijde instabiliteit.’

Onder het kopje ‘grote technologische doorbraken’ staat in grote groene letters: ‘nieuwe vormen van energievoorziening’. Even verderop worden ze benoemd en uitgelegd: ‘waterstof, zonnecellen. Meer aandacht voor optimalisatie van de eigen leefwereld heeft een flinke toename in het gebruik van duurzame energiebronnen tot gevolg gehad. Zo verrees voor de kust een vijftal grote offshore windmolenparken. Oude kerncentrales werden vervangen door nieuwe generatie kerncentrales, die een kwart van de energiebehoefte van de compound dekken. De energieopwekking geschiedt deels centraal deels decentraal. Lokale, individuele of groepsgewijze energieproductie staat naast grootschalige energieproductie, afhankelijk van pragmatische privé-initiatieven die gebruik kunnen maken van innovatie.

Met behulp van zon, wind en fossiele brandstoffen wordt waterstof gemaakt voor de tankstations. Waterstof wordt ook ingevlogen uit andere compounds en uit woestijnen, waar het op grote schaal wordt gemaakt met behulp van zonne-energie door dochterondernemingen van Westerse energiebedrijven.’

Ineens heeft ze er genoeg van. Waarom schrijft ze dit allemaal op? Voor haar jongere zussen? Voor als zij er straks niet meer is? Ze rilt over haar hele lichaam. Het is koud en ze verlangt naar Luc. Ze wil naar hem toe, nu! Maar tegelijkertijd beseft ze dat hun eerstvolgende rendez-vous pas over drie dagen is. Hoe houdt ze dat uit…?

nonfiXe, maart 2003

Dit is een van de vier wereldbeelden uit Beleef 2030, toekomstscenario’s voor de energiewereld: haves & have nots – hyperindividualisme – tribal society – vrijwillige eenvoud. Allen draaien om de assen geopolitieke (in)stabiliteit en mate van technologische vooruitgang. Geschreven door Frank van Empel en Caro Sicking in het voorjaar van 2003 in opdracht van Essent. Alle vier de wereldbeelden en enkele ondersteunende interviews met sleutelspelers in de samenleving zetten we op deze site. Waarom? Omdat we ze nog steeds actueel vinden. Have & have nots is een toekomstscenario uit het kwadrant: hoogwaardige technologische ontwikkeling in combinatie met geopolitieke instabiliteit: Alles kan, voor wie toegang heeft tot de juiste bronnen.