About

Hyperindividualisme, brief aan de ongeboren dochter

Een van de vier wereldbeelden uit Beleef 2030, toekomstscenario’s voor de energiewereld: haves & have nots – hyperindividualisme – tribal society – vrijwillige eenvoud. Allen draaien om de assen geopolitieke (in)stabiliteit en mate van technologische vooruitgang. Geschreven in het voorjaar van 2003 in opdracht van Essent. Alle vier de wereldbeelden en enkele ondersteunende interviews met sleutelspelers in de samenleving zetten we op deze site. Waarom? Omdat we ze nog steeds actueel vinden.
Hyperindividualisme is een toekomstscenario uit het kwadrant: hoogwaardige technologische ontwikkeling in combinatie met geopolitieke stabiliteit: Technologie is een panacee voor alle kwalen, zelfs voor eenzaamheid en verdriet.

 

Brief aan Layla

’s-Hertogenbosch, 29 oktober 2030

Lieve Layla,

Vreemd. Ik ken je niet en toch ken ik je beter dan wie ook. Als jij dit leest ben ik niet meer. Mijn lichaam laat het afweten; mijn leven loopt ten einde. Nog even en ik zal mijn lijfarts vragen om er een eind aan te maken. Dat klinkt hard en zo voelt het ook. Ik krijg tranen in mijn ogen als ik dit schrijf. Allerlei beelden schieten mij te binnen. Beelden van lang geleden, toen ik nog een kind was. Wat was het leven toen onbekommerd. Zoveel warmte, zoveel plezier. Als een rups in zijn cocon, zo voelde ik me. Ik ben er laatst nog eens langs gereden, langs de plaatsen uit mijn jeugd. Het huis waarin ik geboren ben, is lang geleden afgebroken, net als de kerk er tegenover. Het is nu een kil kruispunt van wegen. Een metafoor voor mijn leven. Alles is zo koud en onpersoonlijk geworden.  Ik mis mijn ouders, mijn twee zussen, de vrouw met wie ik het grootste deel van mijn leven heb doorgebracht. Kinderen hebben we nooit gewild. We waren zo met onszelf bezig.

Bijna al mijn vrienden zijn overleden. Wie zal zich mij nog herinneren als zij er allemaal niet meer zijn? Alleen vage kennissen en professionele hulpverleners blijven over. En die zullen mij snel vergeten. Voor mij honderd anderen. Als iedereen dood is die ooit van mij heeft gehouden, is het net of ik nooit heb bestaan. Ik heb geen grote daden verricht, geen onvergetelijke romans nagelaten, geen nazaten. Wat voor verschil heb ik gemaakt? Ziet de wereld er ook maar íets anders uit dan wanneer ik er niet was geweest? Ik heb het koud, Layla. Vergeef me dat ik je opzadel met dit melancholische geleuter. Maar jij bent de enige hoop die ik nog heb.

Nadat mijn vrouw, Helen, tien jaar geleden onverwacht overleed begon ik te tobben. Vaak lag ik hele nachten wakker en voelde me door God en iedereen verlaten. Wat ik vooral miste was een zoon of dochter waar ik naar toe kon gaan voor wat warmte en geluk. Later ging steeds meer meespelen dat mijn vlam uitdoofde zonder dat het ook maar iemand iets deed. Ik belandde in een existentiële crisis. Mijn lijfarts adviseerde me om naar een reprogenetische kliniek te gaan. Ik besefte niet eens dat die er waren. Een wereld ging voor mij open. Reprogenetische klinieken worden gerund als kleine bedrijfjes. Toen de politiek het verzet tegen de nieuwe gentechnologieën zo’n tien jaar geleden opgaf, rezen ze als paddestoelen uit de grond. Met name het bij elkaar brengen van genetica en reproductieve biologie heeft een gigantisch effect gehad op de samenleving, omdat het ons in staat stelt het lot van onze soort in eigen hand te nemen. Mijn leven heeft het ook compleet veranderd. Ouders hebben altijd de mogelijkheid gehad om het leven van hun kinderen vanaf geboorte tot volwassenheid in zekere mate te beïnvloeden en te sturen. De reprogenetica maakte het ineens mogelijk om hun leven zowel vóór als na de geboorte te controleren. Niet helemaal natuurlijk. Elk kind is een individu dat met de gegeven capaciteiten kan doen wat het wil. Maar de invloed van genen is onmiskenbaar groot. In elk geval heeft de wetenschap het mogelijk gemaakt dat ik onverwacht toch nog vader wordt en de kans krijg om alsnog een verschil te maken. Het is waar wat professoren beweren: ‘Technologie is een panacee voor alle kwalen, zelfs voor eenzaamheid en verdriet’.

Liefje, ik hoop dat ik je hiermee niet te veel belast. Ik hoop dat jij wel slaagt waar ik ben mislukt: in simpelweg gelukkig zijn. In een apart dossier staan al je medische gegevens. Daar wil ik je nu niet mee vermoeien. Ik houd het liever nog even persoonlijk en schrijf je in de taal van mijn jeugd – niet in die ‘short messagestijl’ waarvan jij je waarschijnlijk bedient. Als je dit leest ziet de wereld er ongetwijfeld heel anders uit dan hier en nu. Je zult dingen voelen die ik niet voel. Maar ook al verandert de wereld, de gevoelens zullen blijven. En ik geef je nu in alle oprechtheid die van mij. Ik vertel je over mijn leven en de wereld waarin ik leef. Het gaat in het leven niet om het geld dat je ter beschikking staat, zo heb ik ervaren. Het gaat erom wat je ermee doet. De keuzes die je maakt. De beleving die je ermee oproept. Die maken of je gelukkig bent of niet. En uiteindelijk is het dát wat telt. Gezondheid zal voor jou niet zo’n probleem zijn. De medische technologie heeft zich de afgelopen decennia zo snel ontwikkeld, dat je geen pijn meer hoeft te lijden. Dat is een groot goed, dat ik niet heb gehad. Je zult ook een stuk ouder worden dan ik. Ook daarom leg ik mijn observaties vast. Zodat jij je in het jaar 2100 nog kunt verwonderen over de rare maatschappij waarin ik geleefd heb.

Welnu Layla. Ik zit hier buiten op mijn terras met mijn CompuVoice en dicteer mijn gedachten en gevoelens. Ik houd meer van je dan van mezelf en teken de contouren van je lichaam – met mijn ogen dicht – op mijn netvlies.

Weg met die sentimentaliteit. Ik zal mijn omgeving voor je omschrijven. Mijn huis is – net als dat van de buren – gemaakt van leem, hout en andere duurzame materialen. Het heeft drie slaapkamers, een ruime living, een keuken, een natte cel met bad, douche en warme wand, een ruime toiletterie en een aparte communicatieruimte. Als het even kan, ga ik echter naar buiten. Zelfs laat in het jaar, zoals nu, kan ik onder de straaloverkapping buiten werken. Ik voel de wind, maar heb het niet koud. Als het regent sluit ik de overkapping gedeeltelijk. Schijnt de zon, dan vullen de vier stralingselementen de temperatuur automatisch aan tot  achttien graden Celsius. Mijn ideale warmtegraad. De stralingselementen liggen tien meter van elkaar af en bestrijken samen een leefruimte van honderd vierkante meter.

Zoals overal in de samenleving zijn de moderne technologieën ook hier ver opgerukt. Het is ongelofelijk wat er allemaal kan. Als ik dat vergelijk met vroeger… Woningen zijn, net als kantoren en voertuigen, bijzonder intelligent geworden. Alle apparaten in mijn huis zijn draadloos gekoppeld en sturen zichzelf aan, zoals de stofzuiginstallatie in de wanden. Ik verbaas me wel eens over het enorme optimisme over de technologie, dat ik overal om me heen waarneem. Vroeger hadden economen het over ‘God en de ingenieurs’, als ze het hadden over de technologische vooruitgang en de invloed daarvan op de economie. Die invloed kwam als het ware uit de lucht vallen. Technologische vooruitgang was voor de economen toen een gegeven. Hoe groter de technologische vooruitgang, hoe hoger de economische groei. Die wet gaat nu nog op. Alleen wordt nu geen onderscheid tussen God en ingenieurs meer gemaakt. De ingenieurs zíjn God. Ze kunnen alles en doen alles. Ze maken economische groei op bestelling. Ik ben blij dat ik het mee heb kunnen maken, ook al ben ik versleten en heeft de technologie voor mijn fysieke gesteldheid niet zoveel meer te bieden. Ze kunnen me nog wel oplappen, maar ik verkies een menswaardig einde, nu het gevoel nog goed is.

Ik beschrijf deze technische details omdat je er veel over deze maatschappij uit kunt opmaken. Door de techniek hoeven mensen geen contact meer met elkaar te hebben als ze niet willen. Neem bijvoorbeeld de klimaatregulering – binnen en buiten het huis, die symboliseert het individualisme goed. Sinds een jaar of vijf is Thomas Edisons droom eindelijk gerealiseerd: netwerken van handige, decentrale krachtinstallaties in of bij het huis, die waterstof en zuurstof combineren om elektriciteit en warmte te maken. De benodigde waterstof wordt gemaakt met behulp van drie bronnen: zonne-energie, windenergie en, in beperkte mate, fossiele brandstoffen. Je kunt de waterstof kopen bij de pomp, waar je ook je auto voltankt. Dat geeft mensen meer vrijheid dan een leidingenstelsel naar alle huizen.

Ik was één van de eersten in de buurt die een eigen brandstofcel en een microturbine aanschafte. Sindsdien is deze kleinschalige manier van elektriciteitsproductie een stuk goedkoper geworden. Eindelijk is er nu een alternatief voor de brandstofmotor. Energiebedrijven wilden er eerst niet aan. Ze hadden er helemaal geen belang bij om deze technologie in te voeren. Er is immers nog genoeg olie en gas voorhanden. Waarom zouden ze hun eigen glazen ingooien? Early innovators hebben de markt echter opengebroken. Consumenten en bedrijven haakten opvallend snel in op de ontwikkeling. En dat is ook wel te begrijpen. Betrouwbare krachtinstallaties aan huis of kantoor appelleren aan de behoefte om je zelfstandig en vrij te voelen, bij mensen én bedrijven.

Niemand wil afhankelijk zijn van anderen, en al helemaal niet voor de energievoorziening. We hebben te veel staaltjes van onvermogen gezien, van energiebedrijven die niet langer in staat waren om te leveren en van overheden die stikten in hun red tape.

Nadeel van al die ingenieuze apparaten is wel dat je gedwongen wordt om je te verdiepen in technieken waar je eigenlijk helemaal niets vanaf wilt weten. Apparaten moeten gewoon werken, daarmee uit. En als ze niet werken moet je iemand kunnen bellen om ze te repareren. Gelukkig heb ik een leverancier gevonden die mij niet alleen de techniek verschaft, maar ook een onderhoudscontract. Nog mooier: het gaat niet ten koste van mijn privacy. Op afstand kunnen ze zien wat er mis is en de meeste reparaties uitvoeren. Vaak is het namelijk een simpel aansturingsmankement in de software. Dat ook mijn auto op waterstof en zuurstof loopt, zal je niet verbazen.

Het is wel erg concreet en klinisch wat ik nu schrijf, maar zo voelt het niet. Terwijl ik dit inspreek in het CompuVoicesysteem word ik weer overspoeld door een golf van melancholie. Ik wil je te veel tegelijkertijd vertellen en je ook nog voelen. Ik vertel over het hier en nu en denk aan de toekomst. Hoe intenser ik dat doe, hoe meer de behoefte groeit aan persoonlijke reflectie. Zonder dat ik er iets aan kan doen, glijden mijn gedachten steeds weer terug in de tijd. Dan denk ik ineens aan de tweede oliecrisis, in 1979, toen ik als ambtenaar van het ministerie van Economische Zaken in de lift van het Intercontinental Hotel in Genève stond en de hand schudde van sjeik Yamani. Mijn hand stonk een week later nog naar de parfum. In die tijd groeide het besef hoe afhankelijk we voor onze energievoorziening waren van een paar oliestaten in het Midden-Oosten. Het duurde lang voordat de ontwikkelde naties door hadden dat ze voor zichzelf moesten zorgen, wilden ze niet overgeleverd zijn aan de grillen van oliesjeiks als Yamani.

Ik moet lachen als ik besef hoe inefficiënt het er toen aan toeging. De olie werd in supertankers aangevoerd. Soms vergingen ze en kreeg je op tv met olie besmeurde stranden en vogels te zien. Als de olie wél aankwam, werd hij gebruikt om er elektriciteit van te maken. Ook kolen en aardgas werden voor dat doel over grote afstanden aangevoerd en vervolgens verbrand. De elektriciteit werd ook weer via een netwerk van hoogspanningskabels en leidingen over enorme afstanden gedistribueerd. Wat moet dat allemaal niet gekost hebben? Het is veel efficiënter om de energie daar te produceren waar hij wordt gebruikt. De inzet van zonne-energie is de afgelopen jaren flink toegenomen sinds zonnecellen en CO2-heffingen relatief veel goedkoper zijn geworden. Windenergie levert ook een belangrijke bijdrage aan de energievoorziening. En kernenergie mag weer, nu het kernafvalprobleem eindelijk is opgelost. In mijn jonge jaren was dat wel anders. Ik heb nog meegelopen in demonstraties tegen de bouw van kerncentrales in Kalkar en Dodewaard.

Enfin, ik wil nu even een uitstapje maken naar iets totaal anders: de wijze waarop mensen anno 2030 met elkaar omgaan. Hoewel… Zoveel anders is het nu ook weer niet. Er bestaan namelijk duidelijke verbanden tussen de energieopwekking en de wijze waarop mensen leven, werken en met elkaar communiceren. Op al die terreinen geldt het principe van de subsidiariteit: alles vindt plaats op het laagst mogelijke niveau. Waarom zou je duizenden kilometers kabel aanleggen als je ook draadloos kunt bellen en telewerken? Waarom zou je naar je werk reizen en collega’s in levende lijve ontmoeten als het efficiënter is om thuis te werken? Waarom zou je duizenden kilometers pijpen en draden trekken voor het transport van gas en elektriciteit als je de energie ook aan huis en/of kantoor kunt opwekken? Waarom zou je contact zoeken met je nieuwe buren, als je niet meer met ze deelt dan de straat waarin je woont? En waarom zou je afval gaan ophalen, vervoeren en scheiden als je het aan huis of bij je bedrijf kunt omzetten in energie of andere nuttige stoffen, zoals compost? En ook, waarom zouden kinderen naar school gaan, als ze thuis onderwijs op maat via een interactief beeldscherm krijgen? Voor jou zijn dit ongetwijfeld open deuren, maar nog niet zo lang geleden waren dergelijke duurzaamheidsconcepten allesbehalve gemeengoed. De contacten waren toen wel frequenter en warmer dan nu. Ik hoop dat dat voor jou straks ook weer is.

Zoals de energieopwekking, de telecommunicatie en het afvalmanagement steeds dichter bij huis komen, zo is dat ook het geval met het werk. Het ondernemerschap is teruggebracht tot het allerlaagste niveau: de eenmanszaak. Jij kunt je niet meer voorstellen dat honderden of duizenden mensen tegelijkertijd in een fabriekshal of kantoor werkten om hun inkomen te verdienen. En dat ze ook nog allemaal tegelijkertijd van huis gingen en daar naar terugkeerden. Ik heb dat nog wel meegemaakt. Ik vertrok destijds – midden jaren negentig – om zeven uur ’s ochtends met de trein naar Den Haag. Om half negen zat ik dan aan mijn bureau op het ministerie. Aan het eind van de dag ging ik de andere kant op, vaak met oponthoud, want de treinen reden meestal niet erg op tijd.

Het werk en ook het vervoer van mensen, producten en diensten zijn nu veel efficiënter georganiseerd. Mensen werken aan huis, aan hun eigen terminal, voor diverse werkgevers tegelijk. Meestal gebeurt dat op projectbasis. Ze krijgen hun opdrachten via internet en kiezen die in feite zelf uit. Dat wil zeggen: als de opleiding en vaardigheden van een niveau zijn waar vraag naar is. Is dat niet het geval, dan kun je de benodigde kennis en vaardigheden, ook via internet, opwaarderen.

Grote bedrijven zijn er ook nog wel, maar die zijn vergaand geautomatiseerd en richten zich met name op productieactiviteiten. De landbouw is ook een industrie geworden en heeft zich bij de andere industrieën gevoegd in grote industrieparken. De assemblage van producten vindt regionaal plaats, daar waar de mensen wonen en de vraag zich bevindt. Dicht bij de markt dus, in kleine, schone werkplaatsen, met allerlei voorzieningen voor fitness, vermaak, communicatie, rust en zelfs betaalde liefde. Het transport van de worldplants naar de regionale, kleinschalige assemblageplaatsen is goedkoop, snel en efficiënt.

De worldbrands voor dienstverlening, media en amusement besteden zoveel mogelijk werk uit aan de steeds massaler wordende groep van kleine bedrijven en eenpitters. De hoofdkantoren van deze worldbrands zijn over het algemeen klein en houden zich vooral bezig met de branding en de coördinatie van technologische innovatie, kwaliteit en logistiek. De uitvoering hiervan vindt meestal ook weer decentraal plaats.

Nu ik het media en amusement noem, realiseer ik me dat ik wel erg saai moet overkomen. Een echte ambtenaar, die verdrinkt in de feiten en niet erg van het leven weet te genieten. Dat laatste is nu inderdaad een feit, maar het is niet altijd zo geweest. Ook ik heb me ooit volledig in de Fun Society gestort. Dansen, lezen, naar de film, video games… Vaak met veel drank achter mijn kiezen en veel vrienden om me heen, vroeger althans. De afgelopen jaren ben ik echter een stuk cynischer geworden. De meeste mensen genieten zich een ongeluk. Ik realiseerde me echter hoe voorgeprogrammeerd al het plezier is. Vrijwel alle tv-zenders zijn in handen van één tycoon. En de programmering is overal hetzelfde. Veel spelletjes, veel gezang. Het lijkt af en toe één grote karaoke show. En dan lopen er ook nog continu dames in bikini door het beeld. Dertig jaar geleden had je dat al in Italië. Ik hoopte toen dat het ons bespaard zou blijven, maar dat is dus niet uitgekomen. De Fun Society is niets anders dan een psychische dictatuur. Je moet er wel aan meedoen, omdat er niets anders is. De eerder genoemde tycoon heeft niet alleen een heel media-imperium, maar verkoopt ook nog zestig procent van de commercials aan zijn eigen tv-zenders. Bovendien is hij – net als Berlusconi dertig jaar geleden in Italië – ook nog politiek actief. Culturele genocide noem ik het. Maar ja, soms denk ik wel eens dat ik de enige ben die zich eraan stoort. De mensen om mij heen lijken zich best te vermaken met al de B-films, video’s, spelletjes en soapseries.

Je zult me wel een naar mannetje vinden. Ik weet ook wel dat er heel wat mensen zijn die zich wél goed voelen en de tent uitswingen. Toch wil ik je mijn nare bespiegelingen niet onthouden. In mijn ogen hangen de meeste mensen hele dagen voor de tv. Af en toe pakken ze nog wel eens de hoge snelheidslijn of lightrail, maar ze doen dat voornamelijk om vrienden, kennissen en geliefden te ontmoeten. De beeldtelefoon alleen volstaat niet. Mensen willen elkaar gelukkig af en toe nog aanraken en ruiken. Op dit persoonlijke niveau is de afgelopen dertig jaar veel veranderd. Het hebben van meerdere seksuele relaties wordt sterk gepropageerd. Langdurige relaties zijn ‘uit’, kortdurende, intensieve relaties zijn ‘in’. Gouden, zilveren en koperen bruiloften komen zelden meer voor. Om me heen zie ik veel relatiewisselingen. Zelf heb ik daar nooit aan meegedaan. Misschien is dat wel mijn grote fout en zou ik nu een stuk gelukkiger zijn als ik het wél had gedaan.

Ik vraag me dikwijls af of al die wisselende contacten mensen gelukkiger maken. Ik weet nog hoe ik als tiener, en ook later nog wel eens, vlinders in mijn buik had. Kusjes stelen in het park. Nu heb je hele erozones, waar openlijk gevreeën mag worden. Ik zou de amoureuze verhoudingen tussen mensen niet willen typeren als een orgie van overspel en genot. Ik noem het zelf ‘seriële monogamie’. Je bent trouw aan de partner die je op dat moment hebt.

Het verlangen naar ware liefde is volgens mij nog steeds bij iedereen aanwezig. Alleen komen mensen er voor zichzelf en voor anderen sneller voor uit als ze zijn weggegroeid van hun levenspartner. Ze blijven niet geforceerd bij elkaar, voor de kinderen en de buurt, maar zoeken een andere partner die op dat moment beter bij hen past. Ik vind het allemaal erg berekenend en koel.

Het gezin en de familie zijn begrippen uit vervlogen tijden. Ik mis ze, vooral in de donkere maanden rond Kerstmis. Die onttakeling van het traditionele gezin begon al vlak na de eeuwwisseling. Ik heb hier nog een vergeeld, exemplaar van een weekblad liggen uit 2002. ‘Lang leve het gezin,’ staat er op het omslag. Het verhaal gaat over allerlei soorten gezinnen. Een vrouw met drie kinderen uit twee vorige huwelijken, die getrouwd is met een man die ook nog eens twee kinderen uit een vorig huwelijk heeft, terwijl ze samen nog een dochter van zes hebben. Twee homoseksuele mannen, die in hetzelfde huis wonen als twee lesbiennes en samen twee kinderen opvoeden, waarvan één van de mannen de biologische vader is en één van de vrouwen de biomoeder. Het eenvadergezin, het tweevadergezin, het eenmoedergezin, het stiefgezin, het adoptiegezin – allerlei varianten passeren de revue. Die versnippering in relatiepatronen heeft zich sindsdien alleen maar voortgezet. Nu is vrijwel niemand meer getrouwd. Van kinderen wordt de nodige flexibiliteit verwacht. Dat leidt nogal eens tot fricties.

In financieel opzicht komen we niets tekort. De economie groeit met gemiddeld vier procent per jaar. Dat komt niet alleen door de ingenieurs, maar ook door de enorme competitie. De worldbrands moeten hun imago goed bewaken. Een moment van onoplettendheid of arrogantie kan hen zo de kop kosten. Dat geldt ook voor de vele eenmanszaken. Als die geen toegevoegde waarde leveren, worden ze binnen de kortste keren ook van de kaart geveegd. Het kan er hard aan toegaan. Oude bedrijven gaan failliet, nieuwe komen op, in een wervelend tempo. Het kapitalisme viert hoogtij. Maar veel pijn levert het niet op. Door de hoge economische groei kunnen werklozen vrijwel meteen ergens anders aan de slag. De inkomensongelijkheid neemt door de economische dynamiek flink toe, maar dat leidt niet tot maatschappelijke onrust omdat de lagere inkomens er eveneens op vooruit gaan.

Ook de andere economische blokken deden het boven verwachting goed. Alleen in een paar Afrikaanse landen, die onder curatele staan van het Internationaal Monetair Fonds, zie je nog ondervoede mensen en analfabetisme. Doorslaggevend voor de oplossing van het armoedeprobleem was de geboortebeperking – aanvankelijk gedwongen, maar nu vrijwillig.

Sinds de wereld is opgedeeld in grote, autarkische blokken van landen is de economische ontwikkeling in hoge mate voorspelbaar, maakbaar en planbaar geworden. Verenigd Europa produceert bijvoorbeeld zelf 95 procent van de goederen en diensten die het consumeert. Het maakt daardoor niet meer uit of de euro sterk is of niet. Europa is voor haar energievoorziening niet meer afhankelijk van instabiele landen in het Midden-Oosten. Sinds Palestina is opgenomen in het blok van Arabische landen zijn de spanningen in deze regio overigens flink afgenomen. De Islam wordt in het Westen gerespecteerd als een zelfbewuste godsdienst en levenswijze en boezemt burgers van Verenigd Europa en de VS niet zoveel angst meer in als gedurende de jaren na de eeuwwisseling, toen het fundamentalisme en terrorisme hoogtij vierden.

Nederland telt nu veertien miljoen inwoners, die behalve de Nederlandse- automatisch ook de Europese nationaliteit hebben. Dat de bevolking gedurende de afgelopen decennia is gekrompen komt door het toegenomen individualisme. Mensen willen zich ontplooien, reizen, vertier maken. Zelf genieten. Voor kinderen is geen plaats en tijd meer. Mensen zijn vooral met zichzelf bezig. Dat is toch wel een groot verschil met toen ik jong was. Ik weet nog dat mijn moeder met een pot thee en koekjes klaar zat als mijn zussen en ik ’s middags uit school kwamen. Het gezinsleven zorgde voor veel warmte en gezelligheid. Mijn vader kwam dan wel vaak laat thuis van zijn werk, maar als hij thuis was, dan had hij ook tijd en aandacht voor je. Die gezelligheid is weg.

Nederland telt minder kinderen maar meer vitale ouderen dan ooit. Die ouderen wonen meestal op zichzelf of in woongroepen. Het aantal appartementen en schakelwoningen is daardoor flink toegenomen. Ook van de kant van jongeren is de vraag naar woonruimte drastisch toegenomen. Al zijn er relatief minder jongeren dan dertig jaar geleden, ze gaan wel eerder, meestal op hun zeventiende of achttiende jaar, op zichzelf wonen. De toegenomen welvaart maakt dat mogelijk. Bovendien gaat er een stimulans uit van de afnemende gezinsbinding en de toegenomen veiligheid.

Ik ben benieuwd in wat voor maatschappelijke context jij opgroeit. De individualisering zal in jouw tijd ongetwijfeld nog verder zijn toegenomen. De politieke en maatschappelijke stabiliteit maakt nu al dat individuen zich minder bedreigd voelen en zich gemakkelijker ontplooien. Het is niet meer zo nodig om je aan te sluiten bij politieke en maatschappelijke groeperingen. Dit wil overigens niet zeggen dat er geen sprake is van sociale cohesie. Individuen sluiten zich aan bij diverse groepen, met verschillende doelen: ontspanning, ontmoeting, beleving, tijdspassering. Er wordt veelvuldig van groep gewisseld. Maar dat is eigen aan de hele sociaal-maatschappelijke beleving.

Het ideaal van de Franse revolutie – vrijheid, gelijkheid en broederschap – is nog steeds niet volledig gerealiseerd. Zo zijn sommige burgers rijker dan andere. Er zijn ook nog steeds drop-outs – thuislozen, criminelen, psychisch gedesoriënteerden – al worden die nu aanzienlijk beter begeleid en opgevangen dan dertig jaar geleden. De drop-out wordt volledig geaccepteerd als maatschappelijk verschijnsel en niet meer beschouwd als uitwas.

De urbanisatie is toegenomen. Mensen wonen vooral in de Randstad en wijken voor ontspanning uit naar de natuurgebieden in Oost-Nederland, Duitsland en Vlaanderen, of naar relaxparken in Zuid-Europa. Ouderen, die niet meer willen en/of hoeven te werken, vestigen zich massaal in de rurale gebieden buiten de Randstad, die daardoor overigens wel hun landelijke karakter verliezen. Je vindt in Nederland nauwelijks nog stukken natuur waar geen mens is te zien. Dat benauwt mij wel eens. Je kunt dan wel de virtuele natuur intrekken, maar persoonlijk vind ik dat toch te gekunsteld. Mijn herinneringen aan uitgestrekte natuurgebieden zonder menselijk gekwebbel spelen me dan parten.

Om het ruimteprobleem op te lossen wordt er steeds vaker ondergronds gebouwd. Fitnessruimtes, bibliotheken, parkeerplaatsen en winkelcentra worden gevestigd in immense bolvormige geokoepels diep onder het aardoppervlak. Het aantal waterwoningen is flink toegenomen. In het Ijsselmeer ligt een drijvend dorp, met tal van, eveneens drijvende, randvoorzieningen. Maar ik neem aan dat je deze details ook kunt opzoeken in je dataviewer.

Terug naar het persoonlijke niveau, naar wat mij anno 2030 bezighoudt. Waar maak ik me druk over? Wat windt mij op? Het meest frappant vind ik dat alles zo evenwichtig lijkt. De onevenwichtigheden in de economie en de buitenlandse politiek zijn nagenoeg uitgebannen. Dat maakt het leven wel eens saai. Verenigd Europa lijkt sterk op de VS en de andere politieke blokken, met een president, een grondwet, een wetgevende en een uitvoerende macht. Op een hoger niveau is zelfs sprake van een wereldregering, die zorgt voor checks and balances tussen wereldblokken. Ondernemingen hebben ook een platform voor overleg gecreëerd, ten einde uitwassen te voorkomen. Er wordt niet alleen gesproken over de ethiek van het zaken doen, maar ook recht gesproken en in voorkomende gevallen worden sancties opgelegd. De hebzucht van topmanagers wordt op soortgelijke wijze beteugeld. Ondernemingen werken in veel verbanden met elkaar samen. In een wereldeconomie die zo hard groeit en een wereldpolitiek die zo stabiel is, hoef je elkaar ook niet meer te vuur en te zwaard te bestrijden.

Comfort, luxe en persoonlijke service zijn voor veel  consumenten in de VS, Europa en grote delen van Azië gemeengoed geworden. Alles wat ons hartje begeert hebben we binnen handbereik, al profiteert niet iedereen daar in gelijke mate van. Personal assistants en navigators kiezen uit het totale aanbod precies die producten, diensten, reizen en virtuele belevenissen die het beste bij mij als individu passen. Van tegenstellingen tussen mannen en vrouwen is nauwelijks nog sprake. Emoties, met name agressie, worden door de worldbrands gekanaliseerd door op grote schaal brood en spelen aan te bieden. Cultuur is niet veel meer dan een status- en consumptiegoed. En op muzikaal gebied heb ik al lang niet meer de kick gehad die ik heel lang geleden kreeg als er een nieuwe single van de Rolling Stones uitkwam.

Badend in geld en luxe voel ik me steeds vaker eenzaam. Als ik me, zoals nu, terugtrek in mijzelf voel ik me nog het gelukkigst. Veel mensen om mij heen zijn op zoek naar zichzelf. Wie ben ik? Wie denken andere mensen dat ik ben? Wie zou ik willen zijn? Je komt al mijmerend terecht bij diepere waarden en emoties. Er is meer professionele hulp voor dit soort ontdekkingstochten naar jezelf dan ooit. Er worden reizen omheen gebouwd, ontmoetingen met gelijkvoelenden georganiseerd. Maar steeds weer kom je er achter dat je het zelf moet doen. Als ik eerlijk ben, dan verlang ik terug naar de dagen toen nog niet alles zo voorgeprogrammeerd was. Ik verlang naar echte dynamiek, spanning, onzekerheid en opwinding, naar warmte en geluk, naar mijn vader en moeder, naar Helen. Ik mis jou, ook al kan ik je me nu ineens heel moeilijk voor de geest halen. Het ga je goed, Layla. Geniet meer van het leven dan ik nu doe. Ik houd van je!

Frank

nonfiXe, maart 2003

Dit is een van de vier wereldbeelden uit Beleef 2030, toekomstscenario’s voor de energiewereld: haves & have nots – hyperindividualisme – tribal society – vrijwillige eenvoud. Allen draaien om de assen geopolitieke (in)stabiliteit en mate van technologische vooruitgang. Geschreven door Frank van Empel en Caro Sicking in het voorjaar van 2003 in opdracht van Essent. Alle vier de wereldbeelden en enkele ondersteunende interviews met sleutelspelers in de samenleving zetten we op deze site. Waarom? Omdat we ze nog steeds actueel vinden. Hyperindividualisme is een toekomstscenario uit het kwadrant: hoogwaardige technologische ontwikkeling in combinatie met geopolitieke stabiliteit: Technologie is een panacee voor alle kwalen, zelfs voor eenzaamheid en verdriet.

Haves & have nots

Een van de vier wereldbeelden uit Beleef 2030, toekomstscenario’s voor de energiewereld: haves & have nots – hyperindividualisme – tribal society – vrijwillige eenvoud. Allen draaien om de assen geopolitieke (in)stabiliteit en mate van technologische vooruitgang. Geschreven in het voorjaar van 2003 in opdracht van Essent. Alle vier de wereldbeelden en enkele ondersteunende interviews met sleutelspelers in de samenleving zetten we op deze site. Waarom? Omdat we ze nog steeds actueel vinden.
Have & have nots is een toekomstscenario uit het kwadrant: hoogwaardige technologische ontwikkeling in combinatie met geopolitieke instabiliteit: Alles kan, voor wie toegang heeft tot de juiste bronnen.

Wereldbeeld 2030: Haves & have nots

Hun lippen zweven dicht langs elkaar. Trillend als vlindervleugels. Elkaar net niet rakend, net wel rakend, zacht tintelend spel. Langzame tongen, luikende ogen en wandelende vingers die verkennend langs de hals naar beneden kruipen. Een kus teder als een ademtocht.

Plotseling klinkt geraas van ouderwetse straalmotoren door de lucht. De geliefden schrikken op, werpen elkaar een verschrikte blik toe en duiken het struikgewas in. Hun gezichten bedekt met infrarood werend folie. De camera zal hun gelaatstrekken niet vastleggen, vandaag niet. ‘Ik houd van je, lief,’ zegt hij, terwijl hij terugsluipt naar de compound. Zij kijkt hem na, een traan in haar oog. Ineens is hij weg.

De straaljagers komen terug. Het deert haar niet meer. Vliegtuigen die dertig jaar geleden als high-tech gevechtsmachines dienst deden, vliegen nu patrouillevluchten voor de veiligheid van de compound. Hun uitrusting is hedendaags. Onbemand vliegen ze al filmend over de gebieden buiten de compound. Iedere beweging signalerend. Ter controle, ter beheersing van het getto en het Voorgeborchte – de strook land tussen compound en getto. Marie-Anne is er nooit binnen geweest, in die luxe compound. Haar enige binding is Luc, haar geliefde, die zich uit nieuwsgierigheid buiten waagde. Het was liefde op het eerste gezicht, zoals zij nog nooit had meegemaakt. Hij ook niet trouwens.

Luc ruikt haar huid nog als hij de overdekte stad binnenloopt. Niemand heeft hem opgemerkt. Hij fluit voor zich uit en kijkt naar de fel gekleurde tropische vogels die vrij rondvliegen in de klimatologisch gestuurde omgeving – zijn thuis. Geen vuiltje in de lucht, geen papiertje op de grond. ‘Wel even anders dan buiten’, schiet het door zijn hoofd. ‘Buiten’ is de naam die gematigde compoundbewoners voor het getto en het Voorgeborchte gebruiken. Luc is jong – 17 jaar pas – en onderzoekend. Hij laat zich niet beperken door repressieve wetten die hem binnen de veilige beslotenheid van de compound moeten houden. Zijn technische opleiding verschaft hem aardig wat kennis, waardoor hij de strenge veiligheidsmaatregelen gemakkelijk kan ontduiken. Vaak met de simpelste trucjes, zoals de folie waar infrarood camera’s niet door heen kunnen kijken. Niet dat hij niet naar buiten mag. Bewoners van de compound mogen onbeperkt vliegen naar andere gekwalificeerde compounds in de wereld. Het getto is echter min of meer taboe. Het is er onveilig en je kunt er daarom beter niet in je eentje komen. In groepsverband, met bewapende guards, is het wel te doen. De doorsnee bewoner van TechTown waagt zich zo’n drie keer per jaar in het getto. Nou ja, van ‘wagen’ is niet echt sprake. Het gaat meestal in colonne, met geblindeerde ramen en een vast doel: een oase in de wildernis, die tevoren is onderzocht op wapens, verdachte voertuigen en personen. In de oase kun je de vreemde geuren van het getto opsnuiven. Als het winter is kun je er zelfs kou lijden en erwtensoep eten. Een genot dat de bewoners van TechTown al lang niet meer gegeven is.

Luc houdt zijn hoofd voor de irisscanner en opent de voordeur. Zijn appartement heeft alles wat een jonge man van zeventien begeert. Aan comfort, luxe en persoonlijke service geen gebrek. De revolutie in de biotechnologie heeft overal sporen achtergelaten. Door het oog niet waarneembare micro-organismen doen de was en de schoonmaak. Ze houden de ruiten schoon en verorberen het afval. Een huisrobot, of ‘huishoudster’, ordent zijn spullen en ruimt apparaten in en uit. De binnenwanden zijn dun en gemakkelijk verplaatsbaar. Alleen al het afgelopen jaar heeft Luc zijn appartement vier keer anders ingericht. Hij is onrustig. Zijn mentor zegt dat het aan de puberteit ligt, maar volgens Luc zelf is het fundamenteler. Het gebeurt steeds vaker dat hij midden in de nacht hevig transpirerend wakker wordt. Afgelopen nacht droomde hij nog dat Marie-Anne ernstig ziek was. Hij zou en moest haar redden, maar hoe? Zij beschikt niet over de afweermechanismen waarover hij en andere compoundbewoners beschikken. Aan het zorgvuldig geselecteerde embryo dat uitgroeide tot Luc zijn destijds genen meegegeven die hem beschermen tegen kanker, hart- en longziekten en andere levensbedreigende kwalen. Zijn levensverwachting ligt daardoor een stuk hoger dan die van zijn leeftijdsgenoten in het getto. Luc vindt dat onrechtvaardig. Hij ligt er vaak over te peinzen. ‘Misschien denk ik wel te veel’, zegt hij binnensmonds. Maar er is nog geen gen gevonden dat het denken over sociale onrechtvaardigheid kan stopzetten. En dus mijmert Luc nog even door. Hij zet zijn bed in de comfortstand en voelt het golven van de automatische, op zijn individuele wensen afgestelde, rugmassage. Is die technologische vooruitgang in elk geval ergens goed voor, denkt hij, en doet een uiterste poging om Marie-Anne even uit zijn gedachten te zetten.

Luc sluit zijn ogen. Hij moet alles wat hij van yoga weet aanwenden, voor het hem lukt om zich te ontspannen. Zijn gedachten drijven weg van zijn geliefde. Na een kwartier sluipt er toch weer onrust in zijn hoofd. Maar nu is die heel concreet. Luc denkt aan de alsmaar breder wordende kloof tussen rijk en arm. Het gaat daarbij al lang niet meer alleen om geld en wat je voor geld kunt kopen. Het gaat om veel wezenlijker zaken: de kans op een lang en gezond leven, intellectuele en fysieke capaciteiten, vrijheid… Zijn lichaam ligt nog steeds heel ontspannen op het licht golvende bed, maar zijn hoofd spint.

De verschillen tussen haves en de have-nots, zo realiseert Luc zich, zijn met sprongen gegroeid, sinds een jaar of twintig geleden genetische verrijking gemeengoed werd. Sinds die tijd bedenkt elke generatie compounders nieuwe manieren om hun kinderen te bevoordelen. Met elke generatie worden de kinderen van de haves slimmer, gezonder en sterker. Dat heeft geleid tot een tweedeling in de menselijke soort, waarbij genetisch verrijkte mensen het niet meer nodig vinden om nog respect te hebben voor ‘gewone mensen’. De samenleving werd er fundamenteel anders door. De haves beheersen de politiek en houden hun eigen macht in stand.

Genetica was het lievelingsvak van Luc op school. Verschillen tussen mensen, dieren en planten hebben hem altijd gefascineerd. Later is hij zich vooral gaan verdiepen in de sociale gevolgen van selectie en manipulatie. In zijn boekenkast staan vergeelde exemplaren van de autobiografie van Charles Darwin, Remaking Eden van Lee M. Silver, een moleculair bioloog van de universiteit van Princeton, en L’homme criminel van César Lombroso. Hij haalt zich dat laatste boekje voor de geest. Begin twintigste eeuw, zo las hij daar, werd er vanuit gegaan dat sociale problemen, zoals zwakbegaafdheid, alcoholisme en crimineel gedrag erfelijk bepaald waren. Toen is de veredelijking van de menselijke soort al begonnen. Waardeloze en waardevolle burgers werden van elkaar gescheiden. Er kwamen wetten om huwelijken tussen geesteszieken of mensen met geslachtsziekten te ontbinden. Dronkaards en mensen met besmettelijke ziekten mochten geen kinderen krijgen. Ingrijpen in het recht van mensen om zich voort te planten werd normaal gevonden. Zo kwamen er sterilisatiewetten voor verkrachters, criminelen, epileptici en zwakzinnigen. Streng lichamelijk en geestelijk onderzoek bij (potentiële) immigranten uit Afrika en Azië leidde er toe dat veel mensen werden afgekeurd en dat de immigratie aan banden werd gelegd.

In andere boeken las Luc dat de Nazi’s het honderd jaar geleden helemaal bont maakten. Zij streefden naar volledige uitroeiing van joden, zigeuners en homoseksuelen. Geen wonder dat de eugenetica – de wetenschap die zich bezighoudt met de veredelijking van de menselijke soort – na de Tweede Wereldoorlog lange tijd werd verketterd. Met de eugenetica verdween ook de genetica in de vergeethoek. Van volstrekt misbruik van de genetica belandde de samenleving in precies de tegenovergestelde situatie waarin de rol die genen spelen bij ziekten simpelweg werd ontkend. Deze situatie hield enkele decennia aan. Tot de genetica, aan het eind van de vorige eeuw, ineens aan een onstuitbare comeback begon. Planten en dieren kregen op grote schaal genen toegediend. Zo werden koeien gemodificeerd met een gen dat het menselijk insuline-eiwit codeert dat diabetici nodig hebben. De betreffende koeien produceren dat geneesmiddel in hun melk, die vervolgens aan diabetici werd gegeven. Tal van dergelijke toepassingen verhoogden het welzijn van de mens. En niemand was daar tegen. Toepassingen van genetische modificatie op de mens waren echter lange tijd uit den boze, omdat men dacht dat het genoom dat ons bepaalt, verbonden is met de menselijke ziel. En het werd onethisch gevonden om in te grijpen in die ziel. Uiteindelijk won het gezonde verstand. Het menselijk genoom brengt ziekten voort, zo toonden wetenschappers onomstotelijk aan. Als je je kinderen voor die ziekten kunt behoeden, waarom zou je dat dan laten? Toen die visie dominant werd, zo rond 2006, ging het snel.

Genetische modificatie zorgt ervoor dat tal van lichamelijke en geestelijke ongemakken (een voorbeeld van dit laatste is manische depressiviteit) nagenoeg worden uitgebannen bij de mensen die het zich kunnen veroorloven. En de nanotechnologie maakt dat resterende of nieuwe onvolkomenheden tijdig worden herkend en aangepakt. Bewoners van de compound dragen hun medische dossier continu bij zich op microchip. Het getto heeft al die technieken niet. Kanker, hart- en vaatziekten, aandoeningen aan de luchtwegen, zenuwziekten en AIDS komen daar nog op grote schaal voor. De compoundbewoners doet het niks. Ziekten voorkomen op natuurlijke wijze dat het bewonersaantal buiten al te zeer uitdijt en de compound op nog hogere veiligheidskosten jaagt. Maar Luc doet het wel degelijk wat. Hij wil zijn Marie-Anne beschermen tegen al het kwaad, en komt er hoe langer hoe meer achter hoe onrechtvaardig groot de verschillen tussen mensen zijn geworden. Niet alleen in inkomen, wooncomfort en luxe, maar ook in levenskansen. De gemiddelde levensverwachting van de compoundbewoner is nu al tien jaar hoger dan die van de doorsnee gettobewoner, en dat verschil zal alleen maar groter worden.

Als een ernstige ziekte zich in het getto of het Voorgeborchte openbaart, is er over het algemeen weinig meer aan te doen. Als hij dit soort gedachten over de maatschappelijke ongelijkheid toelaat, komt Luc altijd automatisch terecht bij Marie-Anne. Hoe zou hij haar kunnen helpen? Het is onmogelijk om zelf de ziekte te veinzen en aan medicamenten te komen. Hij zou meteen door de mand vallen. Zijn DNA-structuur ligt immers vast en zijn gencodes sluiten per definitie niet aan bij die van Marie-Anne. Hij zou met haar kunnen trouwen, maar zou zich daarmee diskwalificeren voor allerlei functies in de compound. Het is niet verboden om een relatie aan te gaan met iemand uit het getto, maar de sociale druk om het níet te doen is groot. De compoundbewoners achten zich genetisch superieur aan gettobewoners en willen dat weten ook.

Trouwen is overigens een tamelijk achterhaald gebruik. Jongeren zoals Luc leven voornamelijk op zichzelf. Ze hebben veel wisselende relaties en binden zich zelden voor langere tijd. Voor de voortplanting hoeven ze het al helemaal niet te doen. Al voor Luc’s geboorte is bepaald wiens eicel later wordt bevrucht met zijn sperma. De vrouw is uitgezocht door de computer en zal voor hem geen naam hebben, alleen een nummer. Wat maakt het uit? Haar genen matchen het best met die van hem. Daar gaat het om. En om het feit dat ze tot dezelfde groep behoort natuurlijk. Kinderen met een gemengde achtergrond komen vrijwel niet voor. De sociale structuur van de compound, met daarbinnen groeps- en familierelaties leggen je leven al op voorhand vast.

Als hij dit denkt, bekruipt hem een gevoel van walging. Onvolkomenheden en onvoorspelbaarheden hebben ook zo hun charmes. Wat is er tegen een kromme neus, een moedervlek op de wang, vroege kaalheid, impotentie, de zucht naar avontuur…?  ‘Ik moet haar zien’, flitst het ineens door zijn hoofd. Zijn buik gloeit. ‘God wat verlang ik naar haar! Nog drie dagen…’ Met zijn rechterhand toetst hij snel een paar knoppen in van het bedieningspaneel naast zijn bed. De golvende bewegingen van zijn vloeistofbed stoppen acuut.

Marie-Anne is op datzelfde moment thuis, met haar moeder en twee zussen. Ze zit op haar kamer te schrijven – ouderwets, met de pen! De lange lussen in sommige letters maakt ze bewust heel traag. Heel rustgevend vindt ze dat. Ze denkt aan Luc en is zichtbaar in de war. Aanvankelijk wantrouwde ze Luc. Ze dacht dat het hem alleen om spannende seks buiten de compound te doen was. Een bizarre kick. Wel meer mannen zoeken wilde seks in het getto, waar de vrouwen niet zo geconditioneerd zijn. In de ogen van de compounders zijn ze zelfs primitief, maar wel op een heel plezierige, zinnenstrelende, manier. Bij Luc merkte ze de eerste keren van hun stiekeme samenzijn ook een zekere terughoudendheid op. Hij verdacht haar er vast van dat ze via hem een verblijfsvergunning voor de compound wilde versieren. Ze heeft het hem nooit durven vragen. Dat hoefde ook niet. Als hun blikken elkaar vonden, verdwenen de reserves gauw. God, wat is zij gek op hem. Tegelijkertijd is ze bang, heel bang. De compound is een gesloten, afgeschermde, tamelijk autarkische wereld. Compoundbewoners onderhouden intensieve contacten met bewoners van andere compounds, maar worden niet geacht hechte relaties met mensen uit het getto aan te knopen. De gettomensen die voor en/of in de compound werken worden stelselmatig genegeerd of met neerbuigende welwillendheid bejegend.

Compound is eigenlijk een verkeerde aanduiding, zo heeft ze van Luc geleerd. Van oorsprong is het de aanduiding voor een verzameling gebouwen op een erf, iets kleinschaligs dus. Later werd het begrip opgerekt tot hele wijken, of zelfs stadjes, die afgeschermd zijn van de buitenwereld door een hek of een onzichtbare, maar voelbare afscherming (sociale controle, burgerwachten, draadloze alarminstallaties, cameratoezicht). Het begrip citadel, vestingstad, zou wat dat betreft meer op zijn plaats zijn. Maar ook dat is een nog te kleinschalige aanduiding voor een gebied ter grootte van West-Nederland, waar anno 2030 tien miljoen mensen wonen. De corridor buiten de compound wordt continu met infrarood camera’s gescand op verdachte bewegingen. Al het binnenkomend verkeer wordt subtiel gecontroleerd. Je merkt er niet zoveel van, maar de controle is strenger en effectiever dan die van het vroegere Oostblok, dankzij de techniek.

Toch is TechTown geen geïsoleerde compound. Vanaf de mega-vliegvelden worden mensen, goederen en brandstof (vooral waterstof) in- en uitgevlogen. Ook via het intranet en supranet staat TechTown in contact met de vele andere compounds in Europa, Amerika en Azië. Zonder de kennisuitwisseling via supranet was de hoge stand van de techniek, met name op het gebied van genetica, energie en biotechnologie, onmogelijk geweest. De technologische vooruitgang heeft gezorgd voor een economische groei van gemiddeld twee procent per jaar, die de samenleving heeft behoed voor versplintering. Er is weliswaar sprake van een onderklasse, maar die berust in de ontstane situatie.

In het getto kan het er tamelijk ruig aan toe gaan, zo weet Marie-Anne uit eigen ervaring, maar er is geen sprake van anarchie. De sociale infrastructuur is primitief, maar op een bepaalde manier toch hecht. Mensen proberen er voor zichzelf zo veel mogelijk uit te slepen, maar behoren doorgaans tot wijdvertakte families, die elkaar ontzien. Dat zorgt, tegen de verdrukking in, toch nog voor enige stabiliteit. Sommige van die families hebben echter maffia-achtige kenmerken. Als zij Luc ontdekken zullen ze losgeld eisen. Of ze doden hem uit pure jaloezie. Dat is de reden waarom Marie-Anne met niemand over haar geheim durft te praten.

Het valt haar wel steeds moeilijker. Hoe meer ze over het leven in de compound te weten komt, hoe meer ze de neiging heeft om die kennis te delen met anderen. In elk geval met haar moeder en zussen. Maar ja… dat kan niet zonder over Luc te praten en hem dus in gevaar te brengen. Bang als ze is om iets te vergeten, is ze begonnen met het maken van aantekeningen. Twee soorten notitieboekjes houdt ze erop na. Rode voor de meer persoonlijke ontboezemingen en blauwe voor de meer feitelijke mededelingen over de samenleving in en buiten de compound. Over wonen en werken, natuur en gezondheid, de energievoorziening…  Marie-Anne heeft er een obsessie voor ontwikkeld. Ze heeft nooit geweten dat ze zo leergierig was. Zou ze zich dan toch onbewust willen kwalificeren voor de compound?

Marie-Anne stopt met schrijven en bladert terug in het blauwe boekje. Alsof ze de vele feiten in haar geheugen wil griffen, leest ze de woorden die de compound en haar eigen wereld tot leven brengen…

‘Leven zonder Samenleving’ staat er in grote letters bovenaan de eerste pagina, met daaronder een paar onsamenhangende krabbels:‘gebrek aan solidariteit, scherpe tegenstellingen tussen arm en rijk en tussen verschillende regio’s in de wereld.’ Zelfs binnen regio’s zijn de tegenstellingen groot’, leest ze,‘met eilandjes van een welvarende elite temidden van grote gebieden die verpauperen.

Binnen regio’s verzwakt de sociale en politieke cohesie en tussen regio’s neemt de rivaliteit toe, staat even verderop in iets ander handschrift. De grote instituties – zoals de VN, de EU, en de WTO – zijn het instrument van de haves geworden. uiteengevallen of tot een minimum teruggebracht, waardoor handel en economie ernstig gehinderd worden.’

Dwars over de tweede pagina staat in grote hanenpoten: ‘…diepe geopolitieke crisis, met de olie in het Midden-Oosten als inzet.’ Veel woorden zijn uitgevlakt. Met moeite ontcijfert Marie-Anne enkele kernbegrippen: ‘eigenbelang van de regio’s, antiglobalisme’. Gaandeweg wordt haar handschrift vloeiender, uniformer ook. Marie-Anne slaat wat pagina’s over en leest: ‘Mensen leven in clusters die zich virtueel en soms ook geografisch verenigen. Tussen de diverse compounds in de wereld bestaan intensieve contacten. De contacten met de diverse getto’s daarentegen zijn afstandelijk en tamelijk functioneel. Gettobewoners werken voor en ook vaak in de compounds, maar worden als tweederangs burgers beschouwd. De minimale solidariteit tussen haves en have-nots betekent een maatschappelijke verarming. Scherpe welvaarts- en welzijnsverschillen tussen haves en have-nots maken de samenleving hard en vol spanningen. Onveiligheid en geweld vormen een permanente dreiging. Mensen jagen achter de laatste ontwikkelingen aan. De welvarenden beschikken over een ingebouwde chip om hun gezondheid te monitoren. Op individueel en collectief niveau geldt het devies: problemen pakken we aan middels technologische uitvindingen en toepassingen en niet via gedragsverandering. In de ideologie van de ongecontroleerde vrije markt overheerst het idee ‘go for it’.  Alles kan, voor wie toegang heeft tot de juiste bronnen.’

Formeel taalgebruik, zonder emoties. Voordat ze Luc ontmoette, wist ze niet dat ze op deze manier kon schrijven. In het schriftje zit ook een dubbelgevouwen computerprint die ze van een vriendin heeft gehad. Onder het kopje ‘Compounds en getto’s’ valt daarin te lezen hoe vanuit het getto naar de compound gekeken wordt. ‘De meest welvarenden’, leest ze, verschansen zich in compounds. Daarbinnen financieren zij zelf de bescherming van have en goed. Bewakingsdiensten, onderwijs, en ook andere dienstverlening zoals zorginstellingen zijn binnen de compounds op privé-basis voorhanden. De woningen in de compounds zijn ruim, want wonen en werken worden zoveel mogelijk gecombineerd. Werken verliest daardoor zijn sociale functie, voor de kleine groep die de slag om overleving – survival of the smartest – overwint. Er wordt flink heen en weer gevlogen tussen de diverse compounds in de wereld en dankzij de hoogwaardige informatie- en communicatietechnologie is een scala aan virtuele belevenissen mogelijk.’

Langzaam bladert ze door haar notitieblok en leest in het van Luc gestolen jargon: ‘Het andere uiterste is in de randgebieden te vinden, in de arme voorsteden van de welvarende regio’s en in grote delen van de minder ontwikkelde regio’s van de wereld. Vanuit die arme regio’s komt een voortdurende stroom migranten, waarvan de elite wordt weggekocht in een constante brain-drain.’

Onder het kopje ‘overheid’ staat dat de overheid op sterven na dood is. En alleen de functie van nachtwaker blijft uitoefenen, ofwel: de staat concentreert zich op de zwaardmacht van orde, recht en defensie. ‘Nationale overheden zijn politiek gezien heel zwak en worden beheerst door de upperclass,’ leest Marie-Anne hardop, ‘regionale en stedelijke overheden zijn des te sterker. De regio’s en steden concurreren met elkaar door bedrijven te werven met extra diensten op het gebied van bijvoorbeeld bewaking en bescherming. Tussen de regio’s ontstaan grote verschillen. Lokale potentaten vullen het machtsvacuüm op na het wegvallen van de staat.

Verkiezingen op nationaal niveau hebben nauwelijks nog zin. Op lokaal niveau overheerst het imago van de kandidaat die gekozen wordt voor concrete functies als officier van justitie, burgemeester en afvalverwerker. Algemeen onderwijs en gezondheidszorg zijn tot een minimum teruggebracht, extra opleiding en zorg zijn toegankelijk tegen hoge bijbetalingen en verzekeringen.

Het maatschappelijke debat, voorzover daarvan sprake is, wordt beheerst door het geloof in de technologische vooruitgang enerzijds en heimwee naar de oude, gereguleerde orde anderzijds. Religieuze bewegingen bloeien op als gevolg van de sterk toegenomen bestaansonzekerheid.’

Een pagina of vier verder wordt haar blik getrokken door de woorden ‘Milieu, energie en klimaat’. Marie-Anne laat zich wat achteroverzakken in de oude, rieten stoel op haar kamer. ‘Er is weinig aandacht voor het milieu. De CO2-uitstoot is flink toegenomen en dat heeft onder meer geleid tot een flinke stijging van de zeespiegel. Binnen de compound is wél oog voor dergelijke problemen. De milieu- en klimaatproblematiek wordt echter benaderd vanuit lokale symptoombestrijding: hogere dijken, herinrichting van het landschap, milieuvriendelijke productiemethoden. Bij gebrek aan supranationale instituties is het onmogelijk om de grote dreigingen op het juiste, mondiale niveau aan te pakken. De rampen als gevolg van de klimaatverandering zijn belangrijke oorzaken voor de wereldwijde instabiliteit.’

Onder het kopje ‘grote technologische doorbraken’ staat in grote groene letters: ‘nieuwe vormen van energievoorziening’. Even verderop worden ze benoemd en uitgelegd: ‘waterstof, zonnecellen. Meer aandacht voor optimalisatie van de eigen leefwereld heeft een flinke toename in het gebruik van duurzame energiebronnen tot gevolg gehad. Zo verrees voor de kust een vijftal grote offshore windmolenparken. Oude kerncentrales werden vervangen door nieuwe generatie kerncentrales, die een kwart van de energiebehoefte van de compound dekken. De energieopwekking geschiedt deels centraal deels decentraal. Lokale, individuele of groepsgewijze energieproductie staat naast grootschalige energieproductie, afhankelijk van pragmatische privé-initiatieven die gebruik kunnen maken van innovatie.

Met behulp van zon, wind en fossiele brandstoffen wordt waterstof gemaakt voor de tankstations. Waterstof wordt ook ingevlogen uit andere compounds en uit woestijnen, waar het op grote schaal wordt gemaakt met behulp van zonne-energie door dochterondernemingen van Westerse energiebedrijven.’

Ineens heeft ze er genoeg van. Waarom schrijft ze dit allemaal op? Voor haar jongere zussen? Voor als zij er straks niet meer is? Ze rilt over haar hele lichaam. Het is koud en ze verlangt naar Luc. Ze wil naar hem toe, nu! Maar tegelijkertijd beseft ze dat hun eerstvolgende rendez-vous pas over drie dagen is. Hoe houdt ze dat uit…?

nonfiXe, maart 2003

Dit is een van de vier wereldbeelden uit Beleef 2030, toekomstscenario’s voor de energiewereld: haves & have nots – hyperindividualisme – tribal society – vrijwillige eenvoud. Allen draaien om de assen geopolitieke (in)stabiliteit en mate van technologische vooruitgang. Geschreven door Frank van Empel en Caro Sicking in het voorjaar van 2003 in opdracht van Essent. Alle vier de wereldbeelden en enkele ondersteunende interviews met sleutelspelers in de samenleving zetten we op deze site. Waarom? Omdat we ze nog steeds actueel vinden. Have & have nots is een toekomstscenario uit het kwadrant: hoogwaardige technologische ontwikkeling in combinatie met geopolitieke instabiliteit: Alles kan, voor wie toegang heeft tot de juiste bronnen.

De kosten van immigratie

De kosten van immigratie worden opbrengsten als we vluchtelingen toestaan om te werken en zich te ontwikkelen in plaats van hen in gedwongen ledigheid weg te stoppen in ver afgelegen AZC’s of erger nog, in gevangenissen. Bovendien hebben we arbeidskrachten nodig.

 

Eens in de zoveel tijd bedenkt een of andere nitwit politicus dat de kosten van immigratie moeten worden berekend. Vervolgens roept diezelfde nitwit dat het toch wel om erg veel geld gaat. Dan bedenkt hij of zij iedere keer opnieuw dezelfde oplossing: grenzen dicht. En hoopt met die retoriek kiezers te trekken.

De kosten van immigratie worden echter opbrengsten als we vluchtelingen toestaan om te werken en zich te ontwikkelen in plaats van hen in gedwongen ledigheid weg te stoppen in ver afgelegen AZC’s of erger nog, in gevangenissen.

Mensen opsluiten kost inderdaad geld. Amnesty International rapporteert in juni 2008 dat er jaarlijks 20.000 immigranten in de Nederlandse cel belanden. Niet omdat ze iets misdaan hebben, maar omdat de juiste verblijfspapieren ontbreken. (The Netherlands: The Detention of Irregular Migrants and Asylum-Seekers; Amnesty International, June 2008)

De AZC’s, compleet met bewakers, vormen open detentie centra. Daar zitten mensen te wachten op antwoord van de IND. Soms jaren lang. Ze mogen niet werken en in hun eigen onderhoud voorzien.

Immigranten op non-actief zetten, kost geld en is bovenal stom. We hebben mensen nodig. Een citaat uit ‘Unconventional Wisdom 6’ van www.ecolutie.nl:

‘Tot 2020 zijn er alleen al een half miljoen mensen extra nodig in de zorg en een kwart miljoen in het onderwijs om de uitstroom van arbeidskrachten op te vangen. Momenteel zijn er 122.000 vacatures. Dit loopt volgens de commissie Bakker op tot 375.000 in 2015 en 700.000 in 2040.

‘Nam de beroepsbevolking (20-64-jarigen) de afgelopen 60 jaar nog toe van 5 tot 10 miljoen, vanaf 2010 krimpt hij in. Tot 2040 neemt het aantal werkenden met 1 miljoen af, vooral als gevolg van de uitstroom van baby boomers – de generatie die vlak na de Tweede Wereldoorlog werd geboren.

‘Dit verschijnsel is niet typisch Nederlands. In de Europese Unie neemt de beroepsbevolking volgens Eurostat af van 305 miljoen in 2008 tot 255 miljoen in 2050. Om de verhouding 65+’ers tot de rest van de bevolking constant te houden zouden er tussen 1997 en 2050 in totaal 17 miljoen migranten naar Nederland moeten komen.’

Los van de vergrijzingsproblematiek is het ook beter voor de wereldvrede (dus ook onze eigen veiligheid) als we mensen in staat stellen te werken voor hun eigen onderhoud, waar zich dat werk dan ook bevindt.

nonfiXe, 7 april 2010

waar is hier de nooduitgang?

Je kunt niet terug naar je geboorteland en je mag hier niet blijven. Je mag hier niet wonen, niet werken, niet liefhebben, niet slapen, niet ademen. Een heel overheidsapparaat richt zich erop om jou het leven onmogelijk te maken. Waar is de nooduitgang?
Afrisinia vs COA, bodemprocedure in de rechtbank van Den Bosch.

 

Zestien jonge mensen reizen met een paspoort en visum naar Nederland om shows te geven waarmee hun land, Ethiopië, kan schitteren. ‘Kijk, wat een mooie meiden en wat zijn ze goed.’ ‘Die jongleur kan wel zes kegels in de lucht houden.’ ‘Exotische muziek, niet?’ ‘Wist je dat het straatkinderen zijn?’ ‘Knap hè?’ ‘Ja, Ethiopië is een prachtig land.’

Achter de schermen speelt echter een heel andere show: machtsmisbruik door overheidsfunctionarissen, seksueel misbruik en slavernij. (Zie: Een zekere toekomst voor jonge mensen: vervolging & misbruik)

De jongens en meisjes doen het enige wat ze kunnen doen: ze vluchten. Ze vragen asiel aan, in de volle overtuiging dat hier in het Westen de rechten van de mens wel tellen.

MIS.

Hier tellen de rechten van de Procedure die erop gericht is zoveel mogelijk asielzoekers zo snel mogelijk het land uit te krijgen. De Procedure is de afgod van ambtelijk Nederland, waaraan jaarlijks een bepaald aantal mensen dient te worden geofferd.

Om zich ervan te verzekeren dat de Procedure gediend wordt, is een keten van instanties opgericht, en ettelijke tienduizenden (toeleveranciers meegerekend) Nederlanders leggen zich er dagelijks op toe dat het quotum gehaald wordt.

Ook wordt, om de Procedure gemakkelijker te maken voor de ambtenaren die haar dagelijks aanbidden, de realiteit van een mensenleven in stukjes geknipt, zodat ieder deel apart kan worden bekeken en afgewezen, om later de scherven weer bij elkaar te vegen en te zeggen: ‘Zie je wel, dit is geen raam. Dit zijn glasscherven.’

Tijd: 31.03.2010 10.45h

Plaats: Rechtbank ’s-Hertogenbosch: Afrisinia vs COA

Geen van de eisers is in persoon aanwezig om de zitting bij te wonen waarin COA beweert het recht te hebben negen van de zestien circusartiesten van Afrisinia over te plaatsen naar de verst mogelijke uithoek van Nederland: AZC Bellingwolde, genaamd: De Grenshof. Jammer, vindt de rechter, ‘Ik keek uit naar de circusgroep van Afrikanen’. Wat had hij verwacht? Buitelende acrobaten en een jubelende krar in zijn rechtszaal?

De Afrikanen die de rechter zo graag had willen zien, sluipen door de straten op zoek naar voedsel en een slaapplaats. Ze kunnen geen kant op. Ondanks de overvloed aan bewijsmateriaal, verklaringen en aanwijzingen, heeft de Nederlandse asielketen (IND, COA, DT&V, Vreemdelingenpolitie en ja, zelfs de rechtbanken en Raad van State doen vrolijk mee) zich stellig voorgenomen om zestien jonge levens in de knop te breken.

Dezelfde rechtbank in ’s-Hertogenbosch besloot op 28 december 2009 even snel dat de Ethiopische jongeren geen recht meer hadden op zakgeld  (€50,-) en ziektekostenverzekering. ‘Ik kan me niet aan de indruk onttrekken dat er productie moest worden gemaakt voordat het kalenderjaar ten einde was,’ merkt Piet Hein Hillen, advocaat van de jongeren op. ‘Ja, dat is een van de eisen die de minister stelt,’ beaamt de rechter.

De zitting van woensdag 31 maart 2010 in ’s-Hertogenbosch  is het zoveelste bewijs van een Kafkaiaans samenspel der instituten.

Negen van de zestien jongeren (die al van kindsaf aan samen zijn op het circusterrein en niet te vergeten in de straten van Addis Abeba) werden in augustus 2009 door COA gesommeerd om van het AZC Dongen te vertrekken naar De Grenshof in Bellingwolde. Reistijd: vierenhalf uur, prijs enkele reis: € 35,03 – ze konden binnen de Nederlandse grenzen niet verder uit elkaar getrokken worden. ‘Het is de best mogelijke oplossing,’ volgens COA, dat lamenteert over werkdruk en bezettingsgraad.

Een organisatie die opgericht is om vluchtelingen op te vangen, zou toch in staat moeten zijn om met een flexibel aantal gasten om te gaan. In 2004 huisvestte de COA 40.000 mensen. In 2009 nog 21.000 en was er sprake van grote ‘uitstroom’, aangezien de ‘Pardonners’ de centra verlieten. Toch is er nergens in de buurt van Tilburg – waar NIDOS de minderjarigen plaatste om dicht bij de net meerderjarigen te zijn – een plekje vrij?

Leegstand kost geld. COA kan zich geen lege plaatsen op AZC’s veroorloven. Geld is belangrijker dan een ‘vreemdeling’, dus lege plaatsen worden zo snel mogelijk afgestoten.

Hoeveel geld kost alleen deze procedure al? 600 Hekken rondom het prefab huisje waar Afrisinia in Dongen zat, drie gerechtelijke procedures waarvoor de landsadvocaat is ingeschakeld, COA medewerkers die naast de landsadvocaat in de rechtszaal gaan zitten ….

Video: 600 Hekken rondom een prefab huisje, sober doch humaan? Een wandeling van vijf minuten om bij de straat te komen. Wat als er brand uitbreekt? Hoe komen hulpdiensten bij de deur? 

‘COA vangt sober doch humaan op’, repeteert de landsadvocaat (de eigen juristen worden kennelijk niet capabel genoeg geacht om deze zaak te voeren) een aantal malen. ‘COA bepaalt of en waarheen overgeplaatst wordt. Ook kinderen die al een aantal jaren naar dezelfde school gaan, worden overgeplaatst,’ zegt hij zonder enige schaamte. Bovendien: het was de beste optie.

De beste oplossing? Nergens in het dossier blijkt dat er enige inspanning is verricht om zelfs maar te zoeken naar een andere oplossing: geen telefoonnotitie, geen e-mail. Uit niets kan worden opgemaakt dat ook maar 1 medewerker van COA 1 vraag heeft gesteld aan het hoofdkantoor of aan een naburig AZC over de mogelijkheid om een plekje te vinden voor deze, toen nog vrolijke jeugd die zich meermalen welwillend toonde aan de Nederlandse samenleving, door zelfs op te treden tijdens Generaal Pardondagen waar nieuwe Nederlanders verwelkomd worden.

‘Deze jongeren hebben geen recht op toegang tot de Nederlandse samenleving,’ vindt de landsadvocaat. ‘Ze hebben geen recht op het voortzetten van hun circusactiviteiten. Bovendien kunnen ze blijven oefenen. Het kost alleen wat meer moeite….’ Hoe zou de landsadvocaat zelf reageren, als hij werd overgeplaatst en iedere dag vierenhalf uur heen en vierenhalf terug moest reizen naar zijn werk? Of verhuizen en zijn kinderen naar een andere school moest sturen, en een half jaar later weer?

‘Wij vinden Afrisinia geen bijzondere groep waarvoor we een uitzondering kunnen maken,’ zegt de landsadvocaat droog. ‘Iedere asielzoeker vindt de eigen situatie bijzonder.’

Is dat niet gewoon waar? willen we de landsadvocaat vragen. Is het niet bijzonder en schrijnend als je alles hebt achter moeten laten: familie, huis, vrienden, werk, kortom een heel leven? Is het niet schrijnend als je de geuren van je land niet meer kunt opsnuiven, de klanken van je taal niet meer kunt horen? Is het niet mensonterend zoals je hier sober doch humaan (volgens de normen van COA) wordt opgevangen, steeds wordt overgeplaatst, niet mag werken, niet mag studeren en jaren verliest in een Procedure waarin je naam wordt vervangen door het woord ‘vreemdeling’, ondanks het feit dat je de meest intieme zaken hebt moeten vertellen aan jou onbekende ambtenaren.

Tijdelijke ‘administratieve uitplaatsing’ van de jongeren naar een huis in Den Bosch dat door de stichting Afrisinia ter beschikking was gesteld, was absoluut geen optie voor COA (terwijl Stichting Afrisinia juist dacht behulpzaam te zijn door mee te denken). Want: na een eerste negatieve beschikking dient de asielzoeker te worden voorbereid op terugkeer. De terugkeer AZC’s zijn hier speciaal op ingericht, aldus de landsadvocaat. Er werkt een ander type mens dan in de Integratie centra. Er wordt geen Nederlandse les gegeven. Er worden terugkeer gesprekken gevoerd, beweert hij. In praktijk is het echter een nogal mager pakket. Bovendien is voor de terugkeer van asielzoekers op 1 januari in 2007 een speciaal instituut opgericht: de Dienst Terugkeer en Vertrek. Die zit ook in Den Bosch.

‘Als de leden van de circusgroep gevorderd worden door de Dienst Terugkeer en Vertrek, dan komen ze niet,’ zegt de landsadvocaat. Echter, ze kwamen wel. Ze kwamen naar een politiebureau in Tilburg. Dat politiebureau is gevestigd naast de Willem II gevangenis waar achter hoge hekken met prikkeldraad vreemdelingen gevangen zitten tot er een vliegtuig vol is en ze gedeporteerd worden. Eén verkeerd woord, of je wordt ook opgesloten.

Een verslag van zo’n gesprek tussen de DT&V en een van de jongens van Afrisinia is te vinden onder de titel: ‘Faillissement van een bot land’ .

Ze kwamen nog een keer, naar hetzelfde politiebureau naast diezelfde vreemdelingengevangenis. Weer dezelfde intimidatie. En de derde keer? Ja, toen bleven ze weg. Zou jij nog gaan? Als je zeker weet dat je opgepakt wordt terwijl je geen misdaad hebt begaan, maar enkel je leven wilt redden?

We leven in een rechtsstaat die van mensen eist dat ze vrijwillig en zonder morren hun hoofd in een strop steken en zelf het voetenbankje onder zich wegtrappen.

De rechter, die graag de circusgroep van Afrikanen had gezien, bepaalt mede zelf of hij die kans op een blik in de menselijke Zoo nog krijgt. Hij neemt daar zes weken de tijd voor.

Vrijheid, gelijkwaardigheid en solidariteit, maar niet voor asielzoekers

De kernwaarden van de Nederlandse rechtsstaat gelden alleen als je hier geboren bent, zo blijkt ook uit het landenrapport over Nederland door de Europese Commissaris voor de Rechten van de Mens, Thomas Hammarberg.

De kernwaarden van de rechtsstaat zijn: vrijheid, gelijkwaardigheid en solidariteit, zo staat te lezen op de website van het ministerie van Justitie. Burgers begrijpen deze kernwaarden niet altijd even goed, vindt het ministerie, en bovendien kunnen ze leiden tot conflicten of dilemma’s, zoals de bekende spanning die vrijheid oproept als de veiligheid in het geding is. Er is dan ook een speciale commissie ‘Uitdragen kernwaarden van de rechtsstaat’ in het leven geroepen en die heeft in 2008 advies uitgebracht aan het kabinet.

In datzelfde jaar, september 2008, bezocht Eurocommissaris voor de Rechten van de Mens, Thomas Hammarberg, Nederland en beschreef zijn bevindingen in een landenrapport.

Over de behandeling van asielzoekers merkt Eurocommissaris Hammarberg bezorgd op:

  • dat de kwaliteit van de ambtsberichten waarop de IND haar beslissingen baseert mager is
  • dat de rechter slechts de procedure toetst en NIET de inhoud van het asielverhaal
  • dat de vluchteling die in beroep gaat, dit beroep NIET in Nederland mag afwachten en geen nieuwe feiten mag aandragen
  • dat de Raad van State een beslissing mag nemen, zonder de overwegingen prijs te geven en dit ook regelmatig doet

De situatie voor minderjarige asielzoekers is zo mogelijk nog schrijnender. Kinderen hebben geen schijn van kans. En de kinderen die binnen drie jaar na hun asielaanvraag 18 jaar worden, worden zonder pardon het land uit gezet. Dat dreigt ook enkele leden van Afrisinia te overkomen. Hun meerderjarige (namelijk 22 of 23 jaar oude) ‘broers en zussen’ krijgen de gelijke behandeling die iedere asielzoeker krijgt. Op basis van een ‘niet-tenzij’-beleid, beschikt de IND onophoudelijk negatief, toetst de rechter marginaal, namelijk alleen of de IND de procedure wel gevolgd heeft en worden de jongeren gesommeerd om zich te melden bij de Dienst Terugkeer & Vertrek om via een Vrijheids Beperkende Lokatie (eufemisme voor gevangenis) terug gestuurd te worden naar Ethiopië, waar een dictator en zijn vrienden hen met open armen zullen ontvangen en linea recta doorsturen naar een Vrijheids Beperkende Lokatie waar enkel de ratten in hun voedsel kunnen voorzien.

Lang leve de kernwaarden van de rechtsstaat: vrijheid, gelijkwaardigheid en solidariteit. Wie begrijpt het nu niet goed: de burger die het opneemt voor een medemens of de wetgever zelf?

uit: Report Commissioner for Human Rights, Thomas Hammarberg, on his visit to the Netherlands. (21 -25 September 2008)

47. Asylum decisions of the IND are partly based on information from the Ministry of Foreign Affairs contained in official reports (ambtsberichten) the accuracy of which have been questioned by the NGO Refugee Council, the national ombudsman and in one case also by the ECtHR. Under the accelerated procedure, appeals must be lodged within one week with the District Court and on appeal with the Council of State. The courts do not make an assessment on the merits but only examine points of law.

Appeals under this procedure do not have suspensive effect and applicants are not allowed to await the outcome of the procedures in the Netherlands but must leave the country. UNHCR has consistently taken the position that the suspensive effect of asylum appeals is a critical safeguard to ensure respect for the principle of non-refoulement. The applicant can apply to a district court for an injunction to prevent expulsion.

48. Asylum seekers do not have a right to stay in the reception facilities during the appeal procedure. Under current Dutch law, decisions of the IND are subject to a limited scrutiny by the courts, the facts largely deemed to be established as found by the State Secretary, including the credibility assessment of the applicant. Evidence that theoretically could have been brought forward earlier may not be taken into account at the appeal stage. This leads to a considerably high number of repeat applications. The Council of State may deliver a judgment without a reasoning and frequently does so.

Nederland schendt Mensenrechten

Persbericht op 15 maart 2010 n.a.v. voorpaginanieuws in de Volkskrant waarin beschreven staat dat het Europees Comité voor Sociale Rechten de Nederlandse regering berispt over het op straat zetten van minderjarige asielzoekers. Het verhaal van Afrisinia is exemplarisch hiervoor.

 

APS: Van Empel Woordwerk: ‘Nederland schendt Mensenrechten’

Publicatietijd: 15/03/2010 11:20

Rubriek: Binnenland Organisatie: Van Empel Woordwerk B.V. IPTC: Justitie / Rechtspraak / Mensenrechten

Dit is een origineel persbericht.

Dat Nederland de Mensenrechten schendt, blijkt niet alleen uit de recente bindende uitspraak van het Europees Comité voor Sociale Rechten tegen het op straat zetten van uitgeprocedeerde Nederlandse asielzoekers met kinderen, maar ook uit de wijze waarop Nederland een ‘familie’ Ethiopische circusartiesten heeft behandeld.

De groep van 22 jongeren, waaronder veel minderjarigen, kwam op 24 mei 2007 naar Nederland op uitnodiging van een grote sponsor. Prompt ontsnapten zes leden van het circus aan de controle van de leiding, die de paspoorten had. De overige 16 leden van het circus, waaronder momenteel vijf minderjarigen, werden opgesplitst. De minderjarigen werden uiteindelijk, onder toezicht van een voogd, in gezinsvervangende huizen geplaatst in Tilburg en Waalwijk, met als argument dat ze dan dichtbij de rest van de groep zouden wonen, zodat de 16 jongeren samen konden oefenen. De 11 volwassen tieners en twens werden door het Centraal Orgaan voor de opvang van Asielzoekers (COA) eerst in Eindhoven geplaatst en daarna in Vught, waar enkele burgers zich over hen ontfermden en de Stichting Afrisinia in het leven riepen. Onder die naam werden vele optredens verzorgd in heel Nederland en ook in België (zie YouTube, kanaal frankvanempel). Intussen voerde de Immigratie en Naturalisatie Dienst (IND) procedures uit tegen individuele leden van het circus. Daarbij ging het alleen maar om de vraag of de verklaringen van de individuele leden geloofwaardig en consistent zijn. Van meet af aan werd de groep niet als eenheid behandeld. Een aantal rechters zette daar vraagtekens bij. Ook bij het feit dat de IND de individuele verklaringen niet vergeleken had. Had de IND dat wél gedaan, dan zouden de inconsistenties en ongeloofwaardigheden zijn verdwenen als sneeuw voor de zon. Alle individuen hebben namelijk hetzelfde verhaal. Alleen vertelt de één dat wat meer onbeholpen dan de ander. Pas toen het voor Afrisinia te laat was, erkende de IND dat de 16 jongeren samen waren gekomen en ook samen terug willen gaan. Ketenpartner COA had toen zijn vernietigende werk al gedaan. Eerst wilde het COA de 11 volwassen jongeren uitplaatsen naar ‘s-Gravendeel, ver van de vijf minderjarigen. Stichting Afrisinia en de nodige tamtam in de pers wisten daar Dongen van te maken. Vanuit Dongen werden ze vervolgens naar Bellingwolde in Noord-Groningen gedeporteerd. Afrisinia protesteerde, weigerde te vertrekken en kreeg een kort geding van COA aan de broek. Afrisinia won dat kort geding. COA weigerde de jongeren anders onderdak te verlenen dan in Bellingwolde en keerde ook geen zakgeld meer uit. Particulieren namen vrijwillig en voor eigen kosten de overheidstaak op zich. Dat ging redelijk goed, totdat de Dienst Terugkeer en Vertrek (DT&V) advocaat Hillen  van Afrisinia liet weten ‘actief jacht te gaan maken’ op de uitgeprocedeerde leden van het circus. Er brak paniek uit. Afrisinia durfde niet meer op te treden. De individuele leden durfden ook niet meer bij de particulieren te blijven die hen tot dan toe onderdak boden. Ze stoven uiteen en zijn nu verspreid over heel Nederland. Twee nog niet uitgeprocedeerde leden meldden zich bij het asielzoekerscentrum in Emmen en riskeren uitzetting door de IND, die steevast als eerste op de hoogte is van rechtelijke uitspraken en dus steeds een stap voorloopt. Eén lid, dat een opleiding aan de Circusacademie in Tilburg volgt slaapt twee dagen per week bij de daklozenopvang en zoekt een dak boven zijn hoofd. Zijn ‘familieleden’ zijn ondergedoken in kraakpanden, of zwerven door diverse steden en verblijfplaatsen. De 16 voelen zich broer en zus van elkaar, maar worden niet als gezin of familie erkend door de Nederlandse autoriteiten. Dit is wrang, omdat een aantal leden wees is en dus op straat zou komen te staan in Ethiopië. De 16 zijn van jongs af aan bij elkaar, ze zijn – soms in het bijzijn van hun broer of zus – verkracht door de circusleiding en bestuursleden die nauwe banden onderhouden met het dictoriale regime in Ethiopië. Een aantal is gedwongen tot prostitutie. Ze konden geen kant uit en vrezen dan ook in hun eentje of als kleine groep uitgezet te worden. De Nederlandse autoriteiten hebben zich tot nu toe volledig ongevoelig getoond voor deze feiten. Zij hebben slechts aandacht voor procedures. De COA is zelfs in hoger beroep gegaan tegen de uitspraak van de rechter dat de 11 volwassen leden van het circus niet konden worden gedwongen om naar Bellingwolde te gaan. Het asielzoekerscentrum in Dongen is intussen volledig ontmanteld. Als Afrisinia in hoger beroep gelijk krijgt, dan moet het terug naar iets wat er niet meer is. Intussen dient er ook nog een bodemprocedure. De Nederlandse autoriteiten maken een operette van het asielbeleid.

De Stichting Afrisinia zit intussen niet stil. Advocaat Hillen uit Tilburg heeft een aantal uitgeprocedeerde circusleden naar het Europese Hof voor de Rechten van de Mens geloodst. Met success!

Het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) heeft, net als het Europees Comité voor Sociale Rechten, fundamentele kritiek op het Nederlandse asielbeleid. Het EHRM vraagt aan de demissionaire regering Balkenende of er onderzoek is gedaan naar de waarheid van de verklaringen van de Ethiopische jongeren van Afrisinia over de mensonterende toestanden waaraan ze blootstonden. Het antwoord van de Nederlandse regering zal NEE moeten luiden: ‘Nee, we hebben nooit onderzocht of het waar is wat de jongeren vertellen.’

In Ethiopië werden ze onderdrukt, seksueel misbruikt en bedreigd. In Nederland is nooit serieus op hun verhaal ingegaan. Geen asiel. Ondanks ambtsberichten en andere documenten die hun verhalen bevestigen. Het Europees hof voor de Rechten van de Mens is hun laatste hoop. Een rechter die naar het verhaal kijkt, in plaats van naar de procedure. Afrisinia goes Europe. En Europa roept het kabinet Balkenende ter verantwoording. Op 11 maart had Nederland antwoord moeten geven op vragen van de rechter over de wijze waarop de asielprocedure van de leden van Afrisinia verloopt. De Stichting Afrisinia en advocaat Hillen weten nog van niks. Een verzoek aan demissionair staatssecretaris Albayrak om hulp is gestrand bij de fractie van de PvdA in de Tweede Kamer. Die vond de zaak niet urgent genoeg. Op een rechtstreeks appèl aan de staatssecretaris voor Vreemdelingenbeleid is nooit geantwoord. Wordt vervolgd.

Bij dit persbericht is een bijlage zichtbaar op www.perssupport.nl

The Afrisinia Fence Project, Korte film Afrisinia in AZC Dongen na het vonnis van de rechtbank Breda dat COA de groep niet mocht splitsen.

 

 

Ecolutie, be the change

www.ecolutie.nl: website over duurzame ontwikkeling.
Als we duurzame ontwikkeling nastreven, hebben we een integrale benadering nodig. We moeten leren de verbanden te zien tussen de systemen waarin we leven. Duurzame ontwikkeling gaat nadrukkelijk over de koppeling tussen mens, planeet en economie.

 

Uiteindelijk draait alles om de mens. De mens is niet geïnteresseerd in het voortbestaan van de planeet of de economie zonder dat hij daarbij het middelpunt blijft. Zonder mensen mag de aarde vergaan. Althans vanuit menselijk oogpunt. Waarschijnlijk zal de aarde niet vergaan, wat wij ook doen. We graven hooguit het graf van ons eigen ras. De planeet kan heel goed voor zichzelf zorgen.

Duurzame ontwikkeling gaat niet over klimaatverandering. Het gaat niet over de vraag of er global warming of global cooling plaats vindt. Niet over de zoektocht naar hernieuwbare, schone energiebronnen. Of het al dan niet slagen van Kopenhagen. Dat zijn allemaal deeltjes, waarvan aparte oplossingen ons niet verder zullen brengen. Sterker nog, nu de stem van klimaatsceptici harder klinkt en meer gehoor vindt, lopen we het risico een belangrijke kans mis te lopen. De transitie naar een betere wereld.

Duurzame ontwikkeling gaat over hier en nu, daar en later, met als middelpunt de P van people. Armoede, hongersnood, tekort aan drinkwater, vervuilde lucht, zijn problemen die we op kunnen lossen als we leren anders om te gaan met natuurlijke bronnen, materialen, energie en tegelijkertijd onze economie anders inrichten.

Er is genoeg op aarde om al het leven te voorzien van meer dan de basisbehoeften. We hoeven het alleen maar slim te gebruiken, nieuwe combinaties te maken en leren om te delen. De zon schijnt voor ons allemaal.

Decentrale, schone energie opwekking is een van de manieren om duurzame ontwikkeling te stimuleren. Stel je voor: overal ter wereld elektriciteit, warmte of koelte. Dat komt de voedselvoorziening ten goede. Net als de verspreiding van kennis, namelijk middels het internet. Iedereen kan contacten leggen die geografisch ondenkbaar waren, informatie uitwisselen, communities vormen. Niet alleen de rijken der aarde. Dictaturen zullen het lastig krijgen. Mensen die niet onderdrukt worden en geen honger lijden, hoeven bovendien niet te vluchten. Als we allemaal gelijkwaardig zijn, kunnen de grenzen gemakkelijk open. De angst dat ‘zij komen halen wat wij hebben’ verdwijnt. We worden allemaal gelukkiger.

Duurzame ontwikkeling gaat over gedrag, besluitvorming en techniek. Het gaat over in elkaar grijpende systemen, individuen, groepen, instituten, landen. De natuur inzetten waar ze het sterkst is, door biomimicry en andere nabootsingen of slimme combinaties. Het gaat over samenwerken en delen. Het is per definitie decentraal. Iedere situatie en iedere omgeving heeft andere issues en behoeft andere oplossingen. Ieder mens heeft andere voorkeuren. Duurzame ontwikkeling gaat over geluk.

Als we duurzame ontwikkeling nastreven, hebben we een integrale benadering nodig. We moeten leren de verbanden te zien tussen de systemen waarin we leven. Duurzame ontwikkeling gaat nadrukkelijk over de koppeling tussen mensen, planeet en economie.

De website www.ecolutie.nl zoekt naar die samenhang. Opgezet rondom het gedachtegoed dat beschreven staat in het proefschrift van Frank van Empel en Martin Bakker: Allemaal winnen. Gedachtegoed dat nooit af is. Het woord ‘ontwikkeling’ geeft dat al aan.

We nodigen iedereen uit om mee te denken en mee te doen. Je kunt reageren, maar ook artikelen insturen. Allemaal winnen is een zaak van allen.

nonfiXe, 10 maart 2010

Thuis, het verhaal van A

Een groot deel van haar jonge leven bracht A door in psychiatrische inrichtingen. Een week voor het interview probeerde ze zelfmoord te plegen. Waarom? Seksueel misbruik door haar vader, een wegkijkende moeder en een streng gereformeerde opvoeding hebben haar getekend. ‘Pijn verdrijft pijn’ is afkomstig uit ‘Thuis, portretten van dak- en thuislozen’, jubileumuitgave van de Rotonde. Opgenomen in november 2001. Opnieuw geredigeerd voor nonfiXe.

Pijn verdrijft pijn

Sorry dat ik steeds op mijn horloge kijk, maar dit is een raar moment voor me. Een tijdstip waarbij ik even stil wil staan. Deze dag, een week geleden, over vijftien minuten, om 16.45h, heb ik afscheid van het leven genomen. Ik barricadeerde mijn deur en schreef een briefje. Op het bed, waar jij nu zit, rookte ik mijn laatste sigaret. Daarna nam ik de pillen. Het is niet de eerste keer dat ik probeer te sterven. Maar het is wel de eerste keer dat ik het met zoveel berusting en zonder wanhoop, doe.

De frêle jonge vrouw kijkt peinzend naar het smalle eenpersoonsbed. Zelf zit ze kaarsrecht op de enige stoel. De kamer is klein, sober en netjes, zonder de tierlantijnen die je bij een twintigjarige verwacht.

Ik wilde niet dood
De gedachte aan de dood is mijn hoofd ingeslopen en sijpelde langzaam door ze mij helemaal doordrenkte. Zelfmoord pleeg je niet abrupt. In feite leid je jezelf naar het moment waarop het een logisch gevolg is van de werkelijkheid in je hoofd. Ik heb het laten gebeuren, alle gedachten toegelaten en niets uitgesproken. Aan de buitenkant was niets te merken. Er was niet de heftigheid zoals andere keren. Toen wilde ik niet dood. Ik wilde een ander leven. Deze keer vroeg ik niet om aandacht of om hulp.  Ik dacht alleen
‘het is goed zo, het is goed dat ik nu sterf’. Het was een mantra. Ik hoefde niet meer. Ik hoefde niet meer aan verwachtingen te voldoen. Het gevoel van berusting was bevrijdend.

Alleen het Reformatorisch Dagblad – geen radio of tv
De gemeenschap waarbinnen ik opgroeide is klein en besloten. We staan buiten de samenleving. Geen radio, geen televisie, geen internet. Wel een krant: het Reformatorisch Dagblad. Daarin staat alleen ‘geschikt’ nieuws. De bibliotheek op school leent goedgekeurde boeken uit. Ik mocht niet naar de openbare bibliotheek. Ik mocht geen lange broek dragen, zelfs niet als ik ging schaatsen. Dat past een meisje niet. Ik herinner me dat ik een pyjamabroek kreeg. Fantastisch. Maar ik mocht niet naar beneden met die broek aan, ik mocht hem alleen op mijn kamer, tijdens het slapen, dragen.

Bloed zien
De zomer voordat ik in het ziekenhuis belandde, liep ik van huis weg. Ik voelde me een outcast en had een hekel aan mezelf. Die zomer heb ik me voor de eerste keer bewust verwond. Met mijn nagels en met glas. Ik wilde mijn bloed zien vloeien. Toen was ik nog bang voor de pijn. Dat is later veranderd. Later wilde ik pijn voelen, om de andere pijn te verdrijven.

Mijn vader deed dingen met mij die je niet hoort te doen met een kind van elf jaar. Hoe het precies begon, kan ik me niet herinneren. Ik besefte niet dat zijn spelletjes ongezond waren. Ik keek erg tegen mijn vader op. Hij had veel aanzien in de gemeenschap. Ik dacht dat hij die dingen met me deed omdat hij van me hield. Ik verwarde seks met liefde. Iets waar ik trouwens nog steeds moeite mee heb. Mijn oudere broer deed het ook. Dat staat me scherper bij. Het begon met ‘doktertje spelen’.

In de herfst van 1997 ben ik voor de eerste keer opgenomen in een gesloten psychiatrische kliniek. Ik was 16 jaar. Het was een vreemde omgeving. Alleen al de televisie in het ziekenhuis was een openbaring voor me. Tegelijkertijd viel ik erg uit de toon, met mijn lange rokken en stiltes voor het eten. Er kwamen veel vragen bij me op.

In de isoleercel – bescherming?
Mijn armen zitten vol littekens, kijk maar. Dat heb ik zelf gedaan. Ook terwijl ik in de gesloten inrichting zat. Eerst sloten ze me af en toe op. Het hielp niet. Daarna heb ik acht maanden onafgebroken in de isoleercel gezeten. Omdat ik bleef automutileren. Zo’n cel is ongeveer twee bij twee meter, met ronde hoeken. Er ligt een matras die je niet kapot kunt maken. Je moet poepen en plassen in een kartonnen pot. Die valt een paar uur na gebruik uit elkaar. Je drinkt uit kartonnen bekers. Je hemd en deken zijn van een stof die je niet kunt scheuren. Als je ongesteld bent, krijg je een papieren onderbroekje, want aan een tampon zit een touwtje. Je voelt je alleen, vies en ranzig. Ik zat daar 23 uur per dag. Het was niet bedoeld als straf, maar als bescherming. Bescherming tegen mezelf.

Ik denk dat mijn moeder in het begin niet wist wat er met mij gebeurde. Ze ontkent nog steeds. Ze kan niet anders. Ze is volledig ondergeschikt aan mijn vader. De man staat boven de vrouw. Zijn autoriteit is onbetwist. Hij neemt alle beslissingen. Zij moet volgen.

Ik zocht erkenning
Toch verzon ik steeds nieuwe manieren om aan scherpe voorwerpen te komen, waar ik mezelf pijn mee kon doen. Ik had de hele dag de tijd om plannetjes te bedenken om uit te voeren tijdens het ene uur buiten. Ik leende scheermesjes van medepatiënten, zogenaamd om mijn benen te ontharen. Soms vroeg ik of ik oorbellen mocht dragen tijdens het luchten. Ik wist wanneer er wisseling van de wacht was. Dan smokkelde ik de oorbellen de cel binnen door ze onder mijn tong te bewaren. Waarom? Om mezelf mee te
krassen. Ik liep met de knoken van mijn vingers langs de muur rondjes door de cel, tot mijn handen helemaal kapot waren. Ik bonkte mijn hoofd met alle kracht die in me zat, tegen de muur. Er zijn wel eens acht volwassen verpleegkundigen nodig geweest om mij tegen te houden. Je snapt niet waar de kracht vandaan komt. Toen ze me eenmaal vastgebonden hadden op een bed, stonden die mensen uitgeput het zweet van hun voorhoofd te vegen. Je doet al die dingen, je doet jezelf expres pijn om de andere pijn niet te hoeven voelen. Je hoeft dan nergens meer aan te denken, concentreert je volledig op die lichamelijke pijn. Dat is langzaam zo gegroeid, ik kreeg alsmaar niet de erkenning die ik zocht. Mijn vader gaf niet toe wat hij gedaan had. Mijn moeder geloofde me niet. In de inrichting sloten ze me op.

Er was gewoon te weinig personeel, maar voor mij voelde het als een straf. Om me te stimuleren bedachten ze stappenplannen met beloningen. Bijvoorbeeld een uur extra naar buiten als ik zeven dagen niet bonkte. Ze waren heel consequent: hield ik me niet aan de afspraak, dan ging de beloning niet door.

Ontsnappen
Op een dag had ik een wandelingetje verdiend. Op het terrein van het ziekenhuis, niet daarbuiten. Een uitzendkracht ging mee. Ze had een telefoon bij zich. De uitzendkracht kende de afspraken niet. Ik liep met haar van het terrein. Naar een brug over een sloot. We wandelden de brug op. Ik wachtte op het juiste moment, als een kat die wil aanvallen. Toen gaf ik haar een harde duw. Ze viel in het water. De telefoon werd nat. Die zou niet meer werken. Ik ontsnapte, in de richting van het station. Niet voor lang. Al voordat ik het perron op liep, pakten ze me.

De vrouw die me begeleidde had beide enkels gebroken in het ondiepe water. Dat was nooit mijn bedoeling geweest. Ik wilde haar geen pijn doen. Ik haatte mezelf nog meer. Weer belandde ik in de isoleercel. Nadat ik mijn straf had uitgezeten, werd ik overgeplaatst, naar de afdeling volwassen psychiatrie.

Volwassen psychiatrie
Daar was het erg zwaar. Ze gaan er veel harder met patiënten om. Er is simpelweg te weinig verpleging. Drie verpleegkundigen op 20 patiënten tegen drie op acht bij de jeugdafdeling. Ik kreeg ineens een eigen kamer en mocht doen wat ik wilde. Ik snapte er niets van. Geloofde het niet. Ik legde ’s nachts een sinasappel voor de deur. Om te kijken of er iemand binnenkwam terwijl ik sliep. De volgende ochtend lag de sinasappel nog precies op dezelfde plek. Dat gaf een kick. Ik kon zonder controle! De euforie duurde twee dagen. Mijn mede patiënten waren volwassenen die dachten dat ze god waren,
stemmen hoorden, aan zware depressies leden. Ik zat tussen anderen die ook sneden. Ik gleed weg.

Aangifte van seksueel misbruik doen?
Drie jaar worstelde ik met de verpleging en vooral met mezelf. Ik werd niet beter. Een van de psychiaters opperde om aangifte van seksueel misbruik te doen. Ik kan niet onder woorden brengen wat een strijd het voor me was. Alleen al van het idee om mijn vader aan te geven bij de politie, tolde mijn hoofd. Mijn broers en zussen wisten niets. Mijn moeder vond dat ik gewoon alleen maar ziek was en dingen verbeeldde. Bij mijn vader hoefde ik natuurlijk helemaal niet aan te kloppen. Mijn enige verlangen was dat hij eerlijk zou zijn: ‘Papa, geef het toe. Zeg dat ik niet gek ben. Zeg wat je hebt gedaan’. Vreemd genoeg was hij voor mijn gevoel nog steeds de enige bij wie ik met problemen terecht kon. De enige bij wie ik liefde vond. In mijn jeugd was hij mijn wereld, mijn held. Dat misbruik nam ik op de koop toe. Het was te pijnlijk om hem van zijn voetstuk te laten vallen.

Mijn vader – de belangrijkste man
Ik slingerde heen en weer: ik houd van hem/ ik haat hem. Ik dacht: Misschien ligt het aan mij. Misschien ben ik de schuldige. Ik had hem nodig, zoals iedere dochter haar vader. Ik zocht hem op. Zelfs als hij me vroeg weg te blijven. Weet je, grenzen worden langzaam verlegd, zo langzaam dat mijn vader het zelf niet eens door had. Toen ik hem vroeg waarom hij het gedaan had, zei hij: ‘Omdat ik van je houd. Ik wilde je beschermen en misschien ben ik te ver gegaan’. Meer heeft hij niet toegegeven. Zonder dat ik het wil,
is mijn vader de belangrijkste man in mijn leven. Dat zal hij altijd blijven. Belangrijkste wil niet zeggen de prettigste.

Zeg dat het waar is!
Aangifte doen, was nog moeilijker dan ik verwacht had. Twee agenten namen alles op wat ik zei. Ze schreven terwijl ik praatte. Ik moest ieder detail vertellen. Op een gegeven moment vroegen ze zelfs waarom ik aangifte deed. Ik had het toch geprobeerd, ik had geprobeerd met mijn vader te praten. Maar híj wilde niet. Híj was niet eerlijk. Wat kon ik anders? Ik deed aangifte om hem te dwingen toe te geven. Ik dacht echt dat de politie die macht had. Als hij maar zou zeggen dat het waar was, dat ik niet gek was. Als hij het maar zou erkennen, dan zou ik verder kunnen.

Schuldgevoel
Een paar dagen later werd mijn vader aangehouden. Mijn broers en zussen wisten nog steeds van niets. Het verhaal kwam in de krant. Het is heel raar, als je ’s ochtends in het ziekenhuis de krant openslaat en je eigen verhaal leest. Het hielp mij niet. Integendeel, het was een sensatiebelust artikel. Dingen werden voor mij ingevuld en mij was niets gevraagd. Een enorm schuldgevoel overviel me, wat had ik papa aangedaan?

Bestemming Schiphol
Radeloos rende ik het ziekenhuis uit. Ik liftte naar Schiphol. Daar kocht ik een last minute met mijn pinpasje. Vreemd dat ik dat kon. Ik had geen paspoort, alleen een identiteitskaart. Open wonden op mijn handen. Ik had geen bagage. De lokettiste vroeg waar ik heen wilde.  ‘Welke bestemmingen hebben jullie?’ Het ticket voerde naar Ierland. Drie dagen later zou het vliegtuig vertrekken. Die drie dagen heb ik stilletjes doorgebracht in een hotelletje. Ik ben niet buiten geweest. Mijn geld was nu zo ongeveer wel op.

Ierland
In Ierland rijden de auto’s aan de verkeerde kant van de weg en ik versta de mensen niet. Mijn Engels is slecht. Ik had geen medicijnen bij me. Uiteindelijk kon ik iemand duidelijk maken dat ik naar een ziekenhuis moest, niet voor mensen die hun been gebroken hebben, maar voor mensen die ziek zijn in hun hoofd. Ik moest pillen hebben. Een man bracht me naar een inrichting. Wat kon ik doen? In Ierland, zonder geld, zonder de taal te spreken? Ik belde toch mijn ouders maar. Via de ambassade en mijn
eigen psychiater ben ik weer naar Nederland gekomen.

Brand stichten
Dinsdag 13 juni 2000. Ik kreeg nieuwe medicijnen. Ik was nog erg in de war van het krantenartikel. Een stagiaire deed de deur open. Ik weet nog niet hoe ik weggekomen ben. Twee uur later werd ik opgepakt. Ik had brand gesticht in een school. Het was, geloof ik, een basisschool. Nu was ik officieel crimineel. Ik belandde in het Pieter Baancentrum. Het klinkt raar, maar daar heb ik de beste tijd van mijn leven gehad. Die mensen waren de eersten die mij begrepen. Ik hoefde niet te automutileren, ik hoefde niet met mijn hoofd te bonken om de pijn te tonen. Veel mensen verwachten dat je kunt zien dat ik kapot ben. Maar het gevoel achter mijn lach kun je niet zien. Ik hunker ernaar om aardig gevonden te worden. Ik probeer een beeld van mezelf te scheppen waar mensen respect voor hebben. Ik wil aan de verwachtingen van anderen voldoen. Dat gaat niet vanzelf.  Ik moet veel verstoppen. Daarom heb ik regels voor mezelf, bijvoorbeeld eetregels. Op het Pieter Baancentrum hoefde dat niet. Ik voelde geen verwachtingen.

Opvanghuis
De rechtbank verklaarde mij sterk verminderd toerekeningsvatbaar en ik kwam vrij. De reclassering regelde opvang in Utrecht. Ik kreeg een tasje met kleren, een treinkaartje en een adres. Met andere woorden ‘zoek  het maar uit’. Dat kan gewoon niet op die manier. Maar goed, ik was blij in ieder geval een slaapplaats te hebben. Ik belde naar huis voor het adres van een tante en oom, de enigen in de familie die mij geloven. Dat kreeg ik dus niet. Wel kreeg ik het telefoonnummer van een ‘neutrale’ oom. Hij haalde me op van het station en bracht me naar het opvanghuis. Ook gaf hij me wat extra geld.

Rondhangen op Hoog Catharijne
De opvang was verschrikkelijk. Om 09.00h moesten we naar buiten en pas om 16.00h mochten we weer terug naar binnen. Hoe je de dag doorbracht, moest je zelf maar weten. Je kreeg iedere dag fl. 5,- mee. Maar ik had 4 jaar opgesloten gezeten! Eerst drie jaar in de psychiatrische kliniek en daarna in de gevangenis. Ik had geen warme kleren. Ik had niet eens een jas. Ik kwam immers nooit buiten. Wat doe je dan? Je gaat naar Hoog Catharijne. Daar is het droog en minder koud. Al die mensen. Mensen met koffers. Mensen die naar hun werk gaan en weer terug komen. Etende mensen, rennende mensen. Je kunt je tussen duizend mensen héél alleen voelen! Ik wilde weer brand stichten. Dan word je tenminste opgesloten waar het warm is en waar je goed eten krijgt. Ik heb twee weken in Utrecht gewoond, tweeënhalve week eigenlijk, tussen daklozen en drugsverslaafden. Natuurlijk probeerde ik het ook een keer. Onmiddellijk konden ze de ambulance bellen, drugs en mijn medicijnen bleken een erg slechte combinatie. Gelukkig maar.

De Rotonde
Toen ben ik, via de reclassering, bij de Rotonde terecht gekomen. Ik woon hier nu acht maanden. Tot vorige week woonde ik op Zolder. Dat is begeleid kamerwonen. Het lijkt wel wat op een studentenhuis. Je woont met vijf anderen, ieder in een eigen kamer. De mensen hier helpen met praktische zaken. Ze begeleiden en vormen een brug naar andere hulpverlening, zoals de geestelijke gezondheidszorg.

Pillen in mijn buik
Toch groeide de gedachte aan de dood zich vertakkend en vastzuigend als een klimop in mijn hoofd. Geruisloos nam ze me over. Ik besefte het niet, zag het gevaar niet. Liet me mee leiden in de overtuiging dat het goed was. Afgelopen woensdag om kwart voor vijf was het moment daar. Het is niet gelukt. Ondanks mijn vastberadenheid. Ondanks de koelbloedigheid waarmee ik voorbereidingen trof. Iemand vond me, met de pillen in mijn buik op bed. Ik ontwaakte ’s nachts in een ziekenhuis. Eerst huilde ik van frustratie. Waarom laten ze me niet gewoon gaan? Later ontstond een ander besef:
Blijkbaar wil god nog niet dat ik sterf. Dus geeft hij me ook de kracht om te leven. Dat geloof ik zonder meer. Mijn god is niet de god van mijn ouders. Ik geloof in een god die er onvoorwaardelijk is, 24 uur per dag.

Stap
Ik sta op dit moment heel onzeker in het leven en heb geen enkel perspectief. Ik probeer bij de dag te leven. Er is niets wat ik wil van het leven. Er is niets waarvan ik denk: dat moet ik nog doen. Maar gisteren heb ik geaccepteerd dat ik me slecht voel. Dat is een stap.

Frank van Empel & Caro Sicking, nonfiXe, 070110

Meer Thuis: Het verhaal van C

Een zekere toekomst voor jonge mensen: vervolging en misbruik

Zestien Ethiopische jongeren stranden in de Nederlandse asielprocedure. Sinds mei 2007 wachten de jongens en meisjes van circus Afrisinia in asielzoekerscentra op bescherming. De IND wil hen op basis van algemene argumenten uitwijzen naar een zekere toekomst: vervolging en misbruik.

 

Krar, Ethiopisch snaarinstrument

Ethiopisch jeugdcircus Afrisinia

De jongeren van Circus Afrisinia zijn tussen de 14 en 24 jaar oud. Ze komen uit Addis Abeba uit de armste gezinnen – In Ethiopië moet 80% van de bevolking van minder dan $ 20,- per maand zien te overleven – Een aantal van hen is straatkind. De groep is al van jongsaf aan bij elkaar. Ze vormen een familie. De COA in Nederland behandelt hen ook als sociale eenheid.

Dictatuur: foltering en misbruik

In Ethiopië voeren Minister President Meles Zenawi en zijn regeringspartij een strak dictatoriaal en willekeurig beleid. De jongens en meisjes van Afrisinia hebben dat aan den lijve ondervonden. Meerdere malen zijn ze opgepakt en zonder proces in de gevangenis beland. Het uitdelen van pamfletten voor de oppositie partij of toevallig ergens aanwezig zijn, zijn hiervoor voldoende aanleiding.

De jongens vertellen over martelingen. Zo is een van hen enkele dagen en nachten lang in een ton koud water gezet, tot aan zijn kin. Als hij in slaap viel, zou hij verdrinken. Af en toe haalden zijn bewaarders hem er even uit om hem later weer terug te zetten.

Een andere jongen vertelt hoe hij zich als jong kind aanmeldde en de poort naar het circus zag eruit als de poort naar de hemel. Hij kreeg muziekles, betaalde hiervoor 10 birr contributie. Hij had talent en steeg in de hiërarchie tot hij de ’top’ namelijk de eerste groep bereikte. Toen moest hij de oorlog tegen Somalië verheerlijken en mensen aanzetten zich te melden voor militaire dienst. Ook andere ‘boodschappen’ van de regering Zenawi werden in voorstellingen gegoten. Hij wilde dat niet, hij was het er niet mee eens, daarom besloot hij het circus te verlaten. Er volgde een ‘gesprek’. Een pistool op tafel en dreigementen: ‘jij blijft en jij doet wat wij willen’. Hij bleef. In Nederland zag hij de kans schoon om te ontsnappen.

De meisjes werden gedwongen mee te gaan met ‘belangrijke’ mannen (lees: sponsoren) en seks met hen te hebben.

Mercator, Addis Abeba. Mannen gebukt onder zware vrachten, kinderen en ouderen moeten bedelen of verkopen papieren zakdoekjes

De kinderen zijn slachtoffer van meerdere vormen van intimidatie, gevangenneming, verkrachting en oneigenlijke machtsuitoefening. Ze moeten optreden zonder hiervoor enige vergoeding te ontvangen behalve één maaltijd per week.

Unicef en Oxfam Novib

Het circus waar de kinderen ‘opgevangen’ werden, wordt geleid door (ex)politici waaronder de voormalige minister van Informatie Asfaw Netsanet. Onder de paraplu Circus Ethiopië zijn, verspreid over het land, vijf jeugdcircussen actief. Deze worden gesponsord door verschillende westerse organisaties, zoals Unicef en Oxfam Novib. In de periode 2001-2005 ontving de organisatie alleen al van Oxfam Novib € 450.000,-. Veel geld in een derde wereld land waar zoals gezegd $ 20,- per maand het huishoudgeld van het merendeel is. (Oxfam-Novib webpagina, verwijderd na deze berichtgeving)

De jongeren die in Nederland asiel hebben aangevraagd, vormden de beste groep. Ze kwamen als ‘ambassadeurs’ naar Nederland voor een optreden op het Wereldkinderfestival (eveneens betaald door Oxfam € 43.250,-). Nu zij niet zijn teruggekeerd en hun verhaal hebben verteld aan de Nederlandse autoriteiten en pers, lopen de kinderen nog meer gevaar om terug te keren. Aangezien ze een groep vormen, trekken ze de aandacht. Hun asielaanvraag heeft dan ook in de krant gestaan in het land van herkomst. De willekeur van weleer zal veranderen in gerichte represailles door overheid en het daarmee verbonden circus management. De (financiële) belangen en het gezichtsverlies zijn namelijk groot. Niemand kan en zal hen beschermen. En niemand zal weten wat er met hen gebeurt, aangezien er van vrije pers geen sprake is in Ethiopië.

Circusact tijdens Generaal Pardondagen

In Nederland hebben de jongeren zich steeds van hun beste kant laten zien, door op te treden op Generaal Pardondagen in diverse gemeentes, op festivals en multiculturele aangelegenheden. Ze zijn talentvol (waren Nr 1 van Circus Ethiopië) en ambitieus. Hun shows zijn een verrijking voor onze samenleving. Traditionele instrumenten (krar, masenqo, fluit) en dansen vermengen met Westerse muziek en theater. Afrisinia heeft samengewerkt met Nederlandse artiesten en regisseurs, waaronder Kasba, Bart de Rijk, Koen Schyvens en Lisah Baart.

Kortom: win-win kan door hen hier een bestaan te laten opbouwen. Het betekent veiligheid en een toekomst voor jonge mensen en een verrijking voor Nederland.

De situatie op 6 maart 2009

Asiel voor minderjarigen

Twee minderjarigen hebben een tijdelijke verblijfsvergunning gekregen omdat ze in het land van herkomst risico lopen besneden te worden. De meisjes die al besneden zijn, ontvingen zonder uitzondering een negatieve beschikking. Alle jongens hebben een negatieve beschikking ontvangen.

IND

Het voornaamste argument van de IND luidt dat geen van de jongeren persoonlijk vervolgd zal worden, ongeacht de stroom aan berichten die het tegendeel bewijst en zonder rekening te houden met het feit dat de groep als zodanig aandacht trekt in Ethiopië.

Aangezien de kinderen hun land legaal konden verlaten, zo redeneert de IND, kunnen ze ook terug. Een statische denkwijze. Doordat de groep en masse asiel heeft aangevraagd en hun verhaal heeft verteld, lopen alle leden het gevaar gericht vervolgd te worden.

Australië heeft in 2005 asiel verleend aan een groep artiesten/jongeren van Circus Ethiopië die om soortgelijke reden en op eenzelfde wijze bescherming vroeg.

Alle jongeren die een negatieve beschikking ontvingen, zijn in hoger beroep gegaan. De eerste twee zittingen vinden plaats op 25 maart om 15.30h in de rechtbank in Roermond. De derde zitting is in Maastricht, op 31 maart om 13.30h. Er is weinig aandacht voor het totale verhaal dat uitmondt in individuele drama’s.

nonfiXe, maart 2009

Sand en Dwaaltje

Sand en Dwaaltje praten met hun katten, hond en vleermuis, ontmoeten spoken en redden de moeder van het Geluk uit het Mega Multimedia Prietpraatpretpark.
Voor Max en Loïs, Mana en Jibbe.
Door: Caro Sicking

Het witte huis is echt een huis, zoals een huis hoort te zijn. Hoge muren dragen een schuin rood pannendak met twee schoorstenen die roken als het buiten koud is. Door de grote ramen schijnt de zon naar binnen. Kierende kozijnen laten de wind door. De deuren en traptreden kraken.

In de woonkamer liggen kruimelige kleden op de planken vloer en stoelen met springveren reiken naar de hoge plafonds. Luistervinkjes hangen vrolijk in de hoeken, oren naar beneden om goed te kunnen horen. Het bed van papa en mama staat achter de schuifdeuren. Daarna komt een serre waar driftige kleine vogeltjes met kleurige veren rondfladderen. Zwart-wit plavuizen vormen een dambord onder de witte tafel in de keuken. Afgewaaide takken knetteren vrolijke vlammen in de kachel. Na de keuken kom je een kleine ruimte, Spanje genaamd. Daar is de douche, waar iedereen zich bibberend wast omdat er geen centrale verwarming is. Er is een vochtige kelder voor de spoken en de trappen hebben glijbaanleuningen. Achter het huis ligt een diepe tuin met oude bomen en wilde struiken.

Dwaaltje en Sand slapen in de eerste kamer, links als je door de voordeur binnenkomt. Wanneer zij hun raam openzetten, komt de straat naar binnen. En hun raam openzetten, dat doen ze iedere morgen tussen half zes en zes uur. Dwaaltje en Sand houden van de straat in de ochtend. Dan gaan ze in pyjama op de vensterbank zitten om te ademen, praten, zingen en .. om te wachten. De kinderen wachten op een oude vrouw die een boodschappentas op wieltjes achter zich aan trekt. Ze horen haar al van verre aankomen, want de wieltjes piepen een beetje en de botten van de vrouw kraken van ouderdom. Geen idee hoe oud ze is, maar vast meer dan honderd jaar.  Grijze haren onder een hoofddoekje, heldere blauwgroene ogen, een beetje gebogen over haar te grote voeten, loopt de oude vrouw iedere ochtend langs het open raam van Sand en Dwaaltje. Vriendelijk zeggen ze elkaar goedemorgen en de vrouw stopt voor een praatje. Soms krijgen de kinderen een snoepje dat eruit ziet als een zuurtje, maar veel lekkerder smaakt en je een heel warm gevoel in je buik geeft. Als ze daarna hun tanden poetsen, komt er regenboogwater dat zingend door de afvoer verdwijnt uit hun mond. Daarom denken de kinderen dat de oude vrouw toverkracht heeft. ‘Misschien is ze wel een heks’, fluisteren ze af en toe naar elkaar. ‘Maar dan wel een goede’, meteen erachter aan.

Dan komt mama en ze moeten ontbijten, aankleden en naar school en denken niet meer aan de ochtend tot de volgende dag. Want zo zijn kinderen, voor hen telt alleen wat nú is.  Toen of straks zijn onbelangrijk. Dat gaat zo elke dag, totdat, op een ochtend de oude vrouw niet komt. De kinderen zitten zoals altijd in de vensterbank, kijken zo ver mogelijk de straat in en hebben hun oren op scherp staan, luisterend naar piepende wieltjes en krakende botten, maar niemand komt. O ja, er fietst wel een meneer langs in zijn regenjas en er rijdt ook wel een vroege auto, maar van de oude vrouw geen teken. Die dag poetsen Dwaaltje en Sand hun tanden niet, ze raken de ochtendboterham nauwelijks aan en als ze zich aangekleed hebben, blijken al hun kleren achterstevoren te zitten. Mama snapt er niks van en wordt zelfs een beetje boos. Zo komen ze nog te laat op school!

Op school spelen Sand en Dwaal niet met hun vriendjes. Ze zitten samen op de speelplaats te praten. Tijdens het cijferen komen er allemaal rare getallen uit hun pennen, zoals 9 + 9 = 18.4. In plaats van te schrijven, tekenen de kinderen en de blauwe inkt wordt rozerood zo gauw hun pennen het papier raken. De juffrouw wordt er zenuwachtig van. Ze belt mama om Sand en Dwaaltje te komen halen. Mama denkt dat ze ziek zijn, dus mogen ze niet in de tuin spelen, maar moeten hun pyjama’s aan en worden voor een video op de bank gezet. Hiervoor hebben de kinderen natuurlijk helemaal geen tijd. Ze begrijpen heel goed dat er iets met de vrouw is gebeurd en willen weten wat er aan de hand is.

Hoewel het héél moeilijk voor ze is om stil te blijven liggen, doen ze net of ze in slaap vallen op de bank. Mama ziet hen liggen en draagt ze stilletjes een voor een naar bed. Met een grote rimpel, die op een vraagteken lijkt, blijft ze nog even kijken. Bijna doet Dwaal haar ogen te vroeg open, maar gelukkig draait mama zich net om, om met een diepe zucht de deur achter zich dicht te doen.

De kinderen wachten nog tien tellen. Dan kruipen ze naar elkaar om zachtjes te bespreken wat ze moeten doen. Zodra ze het plan klaar hebben, lopen broer en zus op hun tenen naar de deur, gluren door de spleet die precies in het midden zit. Geen beweging in de gang. Langzaam en heel voorzichtig (zodat hij niet kraakt) doen ze de deur open en kijken verder de grote gang in, niemand. Opgelucht halen ze adem, dan schuifelen ze hun kamer uit, niet vergetend de deur weer geruisloos te sluiten. De trap met de glijbaanleuningen op. Boven de leuning hangt een schilderij van een prinses in een toren. Ze knipoogt vriendelijk. Eerste verdieping: een overloop met vijf kamers. In één van de kamers woont Sjak, de enige mens die hen misschien zal geloven. Even aarzelen de kinderen, maar ze nemen het risico niet en sluipen door, naar zolder. Hier is het atelier van hun vader, de schilder van de knipogende prinses. Ook hij zal niet begrijpen dat kunst zo levend kan zijn en schilderijen knipogen. Naast zijn atelier zijn nog meer ruimtes. In een van die kamers, bovenin, tussen de balken van het dak, woont Blitz, de vleermuis van het witte huis.

Dwaaltje en Sand hebben Blitz ooit, langgeleden, gevonden in de tuin. Hij was nog heel klein en vergeten naar bed te gaan vóór zonsopgang. De nieuwe dageraad verblindde hem. Hij raakte helemaal in de war. De kinderen vingen hem met hun vlindernet. (Wat toch nog een hele toer was.) Ze brachten de vleermuis naar de donkere zolderkamer, waar hij, nadat hij een beetje tot rust was gekomen, zich nestelde. ’s Nachts vloog hij door het open zolderraam naar buiten. Als Sand en Dwaaltje niet konden slapen, riepen ze hem hun donkere slaapkamer binnen. Dan speelden ze wat en vertelden elkaar enge verhalen. Voor de kinderen is de vleermuis het enig denkbare wezen dat hen zou kunnen helpen met de oplossing van het mysterie van de oude vrouw.

Nog steeds zo stil als hun kousenvoeten kunnen, gaan de kinderen de kamer van Blitz binnen. Ze roepen zijn naam, niet al te hard, maar toch hard genoeg om de vleermuis te wekken. Nu moet je weten dat vleermuizen helemaal niet graag wakker gemaakt worden en vooral niet, als dat midden op de dag is. Blitz houdt dus zijn ogen stijf dicht en doet net of hij zijn vriendjes niet hoort. Maar Dwaaltje en Sand laten zich niet voor de gek houden. ‘Hij wil niet’, fluistert het meisje. ‘Hij móet’, zegt haar broertje. Dan pakt hij een lap stof die op de grond ligt en werpt deze naar de vleermuis. Hard fladderend en lelijke woorden schreeuwend komt Blitz uit de nok van zijn dak. Als hij de ernstige gezichtjes ziet, bedaart hij wat. Nog nawiekend met zijn vleugels, (hij kan zijn boosheid natuurlijk niet meteen vergeten), vraagt hij brommend wat er aan de hand is. Sand en Dwaaltje  vertellen, struikelend over elkaars woorden, het hele verhaal. Als ze uitgepraat zijn, kijkt Blitz hen peinzend aan. Sommige dingen begrijpen dieren en kinderen beter dan mensen. ‘Heel goed dat jullie naar mij zijn gekomen’, zegt hij, ‘maar je zult moeten wachten tot het nacht is. Dan kunnen we ongemerkt een vergadering beleggen met de anderen’.

De anderen zijn de katten Stampertje en Beertje en de hond Rotje. Als er belangrijke of dreigende gebeurtenissen zijn, komen zij samen onder de kersenboom. Dat is meestal in de nacht, want dan is er de minste kans om gestoord te worden door luidruchtige en onbegrijpende mensen. Een beetje teleurgesteld, omdat het nog zolang duurt voor het nacht is en ze ondertussen niets wijzer zijn geworden, verlaten Dwaaltje en Sand de kamer van Blitz. Zoals ze gewend zijn glijden ze over de trapleuning naar beneden. Wanneer ze op de overloop van de eerste verdieping landen, komt Sjak zijn kamer uit. Zo te zien is hij net wakker, hoewel het al twee uur in de middag is. Niet dat de kinderen daarvan opkijken, Sjak is student en daarom nachtmens. Hem wakker maken ’s ochtends, is net zo’n onderneming als bij Blitz. Sjak staat daar in zijn ochtendjas, haren alle kanten op en wrijft zijn ogen uit, terwijl hij gaapt. ‘Jongens, wat een lawaai daarboven zo vroeg al’. De kinderen voelen zich betrapt en beginnen smoezen te stamelen. Maar Sjak draait zich alweer om en gaat zijn kamer in, waarschijnlijk om terug in zijn bed te duiken. Sand en Dwaaltje lachen opgelucht. Mama in de keuken, hoort hen lachen en roept naar boven of ze een boterham komen eten. In de warme keuken ligt Rotje opgerold te slapen. Eén oog gaat half open als de kinderen binnenkomen, en een halve kwispel met z’n staart. Stamper en Beer draaien om de tafelpoten heen. Mama dekt de tafel en voor het eerst die dag lijkt alles weer even normaal. Er is vers brood en er zijn eitjes, zacht gekookt.

Na de lunch mogen Sand en Dwaal naar buiten, als ze zich tenminste warm aankleden. Ze rennen de tuin in. Wie het eerst bij de kersenboom is! Rotje rent luid blaffend met hen mee. Stamper en Beer zitten er al, naast een mus op een tak. De mus lijkt helemaal niet bang voor de grote katten, die toch vaak vogeltjes vangen. Dan blijkt dat de kinderen niet alleen met Blitz, maar ook met  andere dieren kunnen praten. Stampertje legt uit dat het praten met een dier de beloning is voor een kind dat dat dier gered heeft. Maar zegt ze, zoals het er nu voorstaat, zullen Sand en Dwaal een wel heel speciale opdracht krijgen. Zij zijn de enige mensenkinderen die de oude vrouw ooit gezien hebben en kunnen herkennen. Daarom vragen de dieren hen om naar haar te helpen zoeken. Als beloning zullen zij vanaf nu, tot ze mens worden,  kunnen praten met alle dieren. Ze mogen dit echter nooit vertellen of laten merken aan andere mensen of kinderen.

Sand en Dwaaltje beginnen gewend te raken aan buitengewone dingen en verbazen zich daarom niet over de woorden van de kat. Eigenlijk vinden ze het wel heel leuk om te praten met de dieren. Ze roepen enthousiast dat ze graag willen helpen en Dwaaltje begint een gesprekje met de mus, terwijl Sand uitprobeert of hij Rotje kan verstaan. Maar dan blaast Beertje boos. Zijn kattenogen versmallen. ‘Er moet wel serieus opgelet worden. Dit is geen tijd voor geklets! De koningin is in gevaar!’ Beer krijgt ieders aandacht. Vannacht om klokslag  zeven minuten over twaalf is de bijeenkomst. Iedereen wordt verwacht. De plaats (‘Let op en vergis je niet’, bast Beer) is niet zoals gebruikelijk onder de kersenboom. Deze keer is de vergadering in de kelder, want de spoken zijn te bang om naar buiten te komen, nu hun koningin er niet meer is. ‘Spoken?’ roepen Dwaal en Sand in koor. Beertje kijkt hen meewarig aan ‘Domme kinderen’, denkt hij. Beertje is een Siamese kater en naar zijn soort een beetje arrogant. Hij vindt zichzelf de knapste van alle wezens en laat dat ook zoveel mogelijk merken. Stampertje, een grijsbruine straatkat, kan zich veel beter in anderen inleven en begrijpt de verwarring van de kinderen. ‘Ik leg het jullie zo allemaal uit’, zegt ze. Dan worden er nog wat praktische zaken besproken, zoals wie plaats en tijd van de vergadering doorgeeft aan de spoken en aan Blitz.

Stampertje springt van de tak af en gaat bij Dwaal op schoot zitten. Het meisje aait de kat. Mama kijkt door het keukenraam naar buiten en ziet niets ongewoons. Rotje rent blaffend door de tuin en er vliegen wat mussen. De kinderen spelen rustig met Stamper en Beertje zit zichzelf te wassen onder de kersenboom. Ze vraagt zich af wat er die ochtend nou zo mis was gegaan. Alles ziet er heel gewoon en vredig uit. Sjak komt de keuken binnen, onderweg naar de douche en ze belooft hem een grote pot sterke koffie. Op zolder, in zijn atelier, legt papa de laatste hand aan een schilderij, genaamd Het Huis.

Ondertussen vertelt Stamper aan de kinderen wat ze weet.

‘In de kelder’, zegt ze, ‘wonen spoken, de goede geesten van het witte huis. Zij waken over de dromen van alle mensen in de stad. Hun koningin heet Bilanc. Dat is de oude vrouw, die jullie iedere ochtend opwachten. De koningin blijft namelijk niet in de kelder, daarvoor is zij veel te belangrijk. Vlak voordat het ochtend wordt, verlaat Bilanc het huis via de achteruitgang. Ze wandelt er om heen om te zien of alles in orde is en maakt zich klaar voor haar dagtaak: de dagdromen van alle kinderen in de stad. Maar vandaag gebeurde er iets raars. De koningin verscheen niet op haar dagtaak. Geen dier of spook weet wat er aan de hand is, of waar ze is. En in plaats van dagdromen, deden de kinderen andere dingen op school. Hun cijferwerk veranderde zichtbaar in onmogelijke uitkomsten. Heel wat kinderen konden niet meer schrijven. Ze konden alleen nog maar tekenen. Inkt verkleurde op het papier.’ Dwaal en Sand knikten. ‘Jullie zijn niet de enigen’, zei Stampertje. ‘Kijk straks maar naar het jeugdjournaal, de hele mensenwereld is in de war.’

Dwaaltje en Sand besluiten een test te doen. Ze pakken blauwe pennen en papier. Ze proberen rekensommen te maken. In rozerood schrijft Dwaal: 3 + 3 = 18.4. Sand probeert het met de som 2 + 5. Ook zijn uitkomst is 18.4  ‘Dat is de hoogste duintop’, zegt Stampertje terwijl ze zich door Dwaal laat aaien. ‘Er zit een boom in verborgen. Je ziet alleen maar de kruin. Daar woont Geluk. Het is een zorgeloos en onschuldig geluk, zoals dat van een kind in een zandbak. De uitkomst van jullie sommen is een aanwijzing.’

De zon gaat onder. Mama roept om te komen eten. Meteen na het eten willen Dwaal en Sand naar bed. Hun moeder begrijpt er niets van, maar vindt het wel gemakkelijk. Papa vertelt een verhaaltje voor het slapen gaan. Op het bureautje liggen de sommen. Niemand ziet hoe het rozerood veranderd is in de kleur van bloed. Papa wijst naar de pyjama van Sand. Er staan aapjes op. ‘Als je straks slaapt, komen ze tot leven. Pyjama-apen vieren feest in je droom! Probeer maar eens of je stiekem kunt kijken.’ Hij geeft zijn kinderen een zoen. Hij moest eens weten. De nacht valt en de nachtdieren komen tot leven. Dwaal en Sand openen hun raam. Blitz vliegt naar binnen. Zijn bekje valt open als hij Sand ziet. ‘Die apen dansen! Ze roetsjen van glijbanen en klimmen in het reuzenrad. Het lijkt wel een pretpark voor nepapen, die pyjama van jou.’ ‘Natuurlijk,’ zegt Sand. ‘Iedereen weet dat toch, zelfs Papa. Apen vieren feest in je droom.’ ‘Maar we dromen niet’, zegt Dwaaltje. Beertje, Stamper en Rotje komen de kamer binnen. Samen sluipen ze naar de kelder. Wel eng, direct zien ze echte spoken. Sand knijpt zijn zusje in haar arm.

Spoken zijn heus geen witte lakens met niets eronder. Het zijn ook geen doorschijnende mensen. Spoken roepen geen boe. Dat weten Dwaal en Sand na deze nacht. De spoken in hun kelder lijken wel van een soort klei. Als je je vinger er in duwt, giechelen ze zich een deuk. Ze veranderen steeds van vorm. Als ze door een deur willen, worden ze lang en heel dun, nog dunner dan spaghetti en dan wurmen ze zich door het sleutelgat. Daarna blazen ze zichzelf op en rollen door als ballen. Wanneer ze zenuwachtig worden, krijgen ze de vorm van een teddybeer. Ieder spook heeft een andere kleur. Lego rood, Sinasappel oranje of Hemelsblauw. Alleen de jonge spookjes niet, die zijn allemaal malsgroen. De malsgroene spookjes verdringen zich om de kinderen. ‘Hé, op zijn pyjama is een pretpark.’ Groene spatjes springen tussen de lachende apen op de pyjama van Sand. Hij kan niet meer stilstaan, zo wordt hij besprongen. Spookjes en apen rijden in botsauto’s en varen joelend naar het pirateneiland. Een serieus groot en Paars spook grijpt in. De groene vlekken staan in een mum van tijd, met de oogjes schuldig naar beneden kijkend, terug op de keldervloer. ‘Er komt een nieuwe attractie: een spookpaleis met dagdroomkoningin. Mogen we dan terug?’ piept de jongste. Het grote Paarse spook wordt zowaar bleek. Het Lego spook pakt de hand van Sinasappelspook. Ze veranderen allebei in teddyberen. Rotje begint te blaffen. ‘Houd je kop,’ slist Blitz. ‘Straks worden ze boven wakker.’

Stampertje springt op een stapel dozen. Ze schraapt haar keel. ‘Vrienden, we zijn hier bij elkaar om…’ ‘We weten waarom we bij elkaar zijn,’ valt Beer haar in de reden vanaf een torentje lege bierkratten. Hij staat net iets hoger dan de poes. ‘Vertel maar gewoon waar we achter zijn gekomen.’ ‘Vrienden,’ herhaalt Stamper en kijkt Beertje strak aan. ‘Wat we weten is dat het Geluk in gevaar is. Zij verliest haar zorgeloosheid en haar onschuld, als wij niet snel iets doen. Haar moeder, koningin Bilanc van de huisspoken, verstrooister van de Dagdroom, is verdwenen. Het Geluk wordt kleiner, naarmate deze toestand langer duurt. Straks is het te klein voor de mensenwereld, waardoor die ten onder zal gaan. We vermoeden dat Bilanc gestolen is, terwijl ze dagdromen uit haar boodschappentas op wielen bezorgde bij de kinderen.’ ‘Dat vermoeden we helemaal niet,’ roept Beertje. ‘Bilanc zou zich nooit laten stelen. Ze moet verzwakt zijn geweest.’ ‘Ze is ontvoerd naar het pretpark,’ zegt Paars. ‘Onze mini’s hebben dat gehoord.’ ‘Zie je wel,’ Sand stoot zijn zusje aan. ‘Ze is een soort heks.’ ‘Maar wel een goede,’ antwoordt Dwaal. ‘Sorry,’ roept ze door het dieren- en spokengeraas heen. ‘Wij snappen het niet helemaal.’ ‘Domme kinderen,’ gromt Beer. Blitz gaat op de uitgestoken hand van Sand zitten. ‘Bilanc regeert ’s nachts over de spoken. Zij maken dromen voor de mensen en delen die uit. Als de maan zich terugtrekt en de zon verschijnt, precies op dat moment, kruipt ze in haar cocon, de boodschappentas op wieltjes. Dan verandert ze van nachtdroom in dagdroom. Zo kennen jullie haar. ’s Avonds, wanneer de kinderen moe zijn en de zon weer ruilt met de maan, gebeurt hetzelfde. Maar dan duurt de transformatie langer, ook koninginnen moeten af en toe uitrusten. Dat is haar zwakste moment, dan is ze slechts een rooksliertje. De spoken en schemerdieren moeten haar beschermen terwijl ze rust in de boodschappentas op wieltjes.’

De mobiele telefoon van Hemels gaat af. ‘Coole ringtone,’ zegt Sand bewonderend. ‘Wat moet een spook nou met een gsm?’ Dwaaltje fronst haar wenkbrauwen. ‘Bellen natuurlijk,’ grinnikt een malsgroene mini. Hemels zet de telefoon op speaker. Een Gemene mannen stem klinkt door de kelder. ‘Kan iedereen me horen? Ik zeg het maar één keer! Bilanc is bij mij. Ze weeft dromen voor bezoekers van mijn Mega  Multimedia Prietpraatpretpark. De dromers betalen mij een kleine extra vergoeding. Haha. Want ik wil rijk worden! De rijkste rijkaard van de hele wereld!! Haha. Als jullie willen dat het kleine Geluk op 18.4 haar moeder nog ooit ziet, dan kom je ook. Kun je de dromen mooi aan mijn gasten serveren. Alleen onder die voorwaarden laat ik Bilanc (met bewaking natuurlijk) één nacht in de week bij het Geluk.’

De kelder staat ineens vol teddyberen in allerlei kleuren, zelfs Paars heeft last van zenuwen. Rotje gromt naar de telefoon en wil die aanvallen, zijn haren recht overeind. Sand en Dwaaltje kijken elkaar aan. ‘Nu weten we in ieder geval waar ze is,’ zegt het meisje nuchter. ‘Laten we haar gaan halen.’ Haar dappere broertje staat al met een voet op de keldertrap. ‘Nee Sand, eerst maken we een plan.’ Stampertje kijkt de jongen recht aan.

Om vier uur in de nacht vertrekt een vreemde stoet uit het witte huis. Papa, mama en Sjak merken niets en slapen hun droomloze slaap. Voorop lopen Beertje en Rotje met boven hun hoofden Blitz en zijn vrienden van de Vleermuizenclub. Paars en Lego volgen, omringd door malsgroene mini’s. Hemels draagt Sand die nu toch wel erg moe is en in zijn armen ligt te slapen. Dwaaltje, Stamper en Sinasappel sluiten de rij. Onderweg komen er ratten bij, een uil, nog een paar katten (die Stamper eerbiedig groeten) en zelfs een verdwaalde wolf (waar Rotje een beetje bang voor is). Vlak voor de hekken van het Mega Multimedia Prietpraatpretpark stopt de optocht. De dieren, Sand en Dwaaltje, verschuilen zich in bosjes. De spoken bellen aan. Paars heeft zich in een vreemde vorm gewrongen. Daaronder zit Bilancs boodschappentas. De poort gaat open. Ai wat piepen die oude wieltjes van de boodschappentas waar Paars zich omheen gevouwen heeft. Blitz en de Vleermuizenclub pakken Dwaaltje en Sand op. De kinderen vliegen met honderd vleugels over de hoge muur. ‘Au, je krabt me,’ roept Sand tegen een van vleermuizen die hem bij de kladden heeft. ‘Stil zijn,’ slist Blitz. Dwaaltje hoort voor de eerste keer angst in zijn stem. Ze zien de spokentocht onder zich langzaam voortbewegen. Twee wieltjes steken onder het achterwerk van Paars uit.

Het Mega Multimedia Prietpraatpretpark is erg donker en koud. Dwaaltje rilt. ‘Ik wou dat ik in mijn bed lag,’ denkt ze. ‘Ik weet niet eens waar we naar moeten zoeken,’ fluistert Sand. Ze vliegen over het hele park. Het reuzenrad staat stil. De botsauto’s rijden niet. De vleermuizen worden moe. Hun pootjes verkrampen onder het gewicht van de kinderen. Nergens een teken van Bilanc. ‘Wat is een logische plaats om een rookpluim te verstoppen?’ vraagt Dwaaltje zich af. ‘In een schoorsteen,’ roept Sand. ‘Zie je een schoorsteen?’ ‘Nee.’ Onder hen klinkt een hels kabaal. De spokenstoet is veranderd in een verstijfde groep teddyberen. Blitz fluit z’n vleermuizen toon. De katten, muizen, de ratten en alles wat kan springen en vliegen, stormt over het hoge hek. Stampertje blijft haken in het prikkeldraad dat er bovenop zit. Een spotlicht  recht op haar gericht. Dwaaltje ziet een gemene man met een bubbelwaterkanon mikken op haar poes. Iedereen weet dat katten allergisch zijn voor water. Ze wil gillen, maar Blitz houdt haar mond dicht met zijn vleugel. Beertje is al over het hek heen en kijkt vanaf de grond naar boven. Hij ziet Stamper in doodsnood. Schud zijn geelzwarte  haren en springt heldhaftig terug. ‘Goed zo Beer,’ denkt Sand trots. Met zijn nagels krabt Beer Stamper los uit de greep van het prikkeldraad. Net op tijd. Het kanon schiet, bubbels vliegen over de katten heen en spatten kapot op de grond achter de muur, waar Rotje eensgezind met de wolf staat te blaffen.

Stamper en Beer staan op vijandig terrein. De gemene man is niet alleen. Hij fluit tussen zijn tanden en een heel garnizoen, zwaar met bubbelwaterpistolen en plakkauwgomspuiters bewapende, houten voetsoldaten komt aangemarcheerd. Ze gaan rondom de teddybeerspoken staan. Iedereen weet dat spoken allergisch zijn voor plakkauwgom. De uil en een mus, ja de mus die in de tuin naast de katten in de boom zat, die mus, vliegen voorbij. ‘Kom vlug mee.’ Ze duiken naar beneden. Sand knijpt zijn ogen dicht om niet misselijk te worden, maar Dwaaltje ziet hoe de uil op een van de muizen afstormt. Iedereen weet dat uilen graag een muisje oppeuzelen. De muis heft haar rechterpootje omhoog en zwaait. ‘Daar Miguelito de muskusrat heeft iets geroken.’ Ze scheren laag over de grond. Muizenstaarten zwiepen in de gezichten van de kinderen. Rattenharen strijken langs hun benen, zo laag. Langs het peloton houten voetsoldaten, die oogloos plakkauwgomblindgangers schieten. Ze raken Blitz op zijn linkervleugel: ‘Jasses, ik heb zo’n hekel aan plakspul.’ ‘Geef maar hier,’ zegt de mus. ‘Ik zoek meestal op stations naar tweedemonds kauwgom, een vers stukje lust ik wel.’ Ze pikt Blitz al vliegend schoon. Zonder vaart te minderen duiken ze door een gat in de muur van een huis, dat konijnen eerder die avond voor hen hebben gegraven. ‘Daarvoor heb je nu mobiele telefoons,’ grinnikt de uil tegen Dwaaltje. De Gemene man geeft zijn soldaten opdracht om achter de vliegende bende aan te gaan. De teddyberen groep staat nu onbewaakt. Beertje sprietst op z’n katers over Paars heen. Die wordt boos. Lego, Sinasappel en Hemels krijgen de slappe lach. Ze vergeten hun verlammende angst en worden weer spook. ‘Kom op, pak de tas. Lachen doe je morgen maar,’ roept Stamper. De spoken vormen een roetsjbaan waar de tas gemakkelijk overheen rolt. De Gemene man rent er op af. Stampertje gaat voor hem liggen. Hij struikelt, valt met zijn neus in een bal plakkauwgom en zit voorlopig even vast.

Binnen is het chaos. Dwaaltje ziet houten voetsoldaten bubbelwater schieten, terwijl de ratten aan hun benen knagen. Eentje valt om. Dan nog een. Een kat verdrinkt bijna, maar wordt gered door de uil. Eindelijk zetten de vleermuizen de kinderen op de grond. ‘Ik ben duizelig,’ klaagt Sand. ‘Dom kind,’ zegt Beertje, maar dit keer klinkt het niet zo hooghartig als anders.  ‘Doe de achterdeur open.’ Dwaaltje probeert in het donker een deur te vinden. ‘Ja hier zit een knop.’ ‘Nee, niet die!’ Blitz duwt haar hand weg. ‘Dat is de grote droomvernietiger, dan zien we Bilanc nooit meer terug. Hier moet je zijn.’ Achter de deur staan de spoken met de boodschappentas op wieltjes. Hemels pakt Sand op. ‘Slaap kindje slaap.’ ‘Hoe kan ik nou slapen, sukkel, in deze herrie.’ ‘Ssst slaap maar.’ Alle spoken zingen het slaaplied. Zodra Sand onder zeil is, worden de apen op zijn pyjama weer wakker. Een paar malsgroene mini’s springen tussen hen in. ‘Ik weet het. Ik weet waar ze is,’ roept een groentje opgetogen. ‘Ik ook.’ ‘Ik ook.’ ‘Mag ik het zeggen?’ ‘Stil’, beveelt Paars. Een voor een. ‘Ze zit warm,’ piept de kleinste die haar mond nooit kan houden. ‘Blitz en Beer kijken elkaar wanhopig aan. ‘Warm…’ Ondertussen knagen de ratten de ene houten soldaat na de andere om. Ze worden geholpen door de konijnen die het gat in de muur hebben gemaakt. Dwaaltje denkt hard: rookpluim, schoorsteen, warm… Achter hen kermt de Gemene man die nog steeds met zijn neus in de kauwgom zit. Hij draait met zijn lijf over de grond, linkerhand uitgestrekt. Dwaal volgt zijn vingers. Een pijp! ‘Daar is ze. Ze zit in de pijp.’ Blitz schiet ervandoor als een raket. Je zou zweren dat er rook en vlammen uit zijn staartje kwamen, zo hard vliegt hij weg. De vingers van de gemene man raken het mondstuk van de pijp. Hij strekt ze. Maar Blitz is hem net voor. Hij pakt de pijp in zijn bek en komt hoestend van de rook terug bij de groep. Paars schuift de boodschappentas naar voren. De pijp valt er in. Hemels legt Sand er naast. ‘Blijf slapen jongen, ga dromen, droom haar terug.’ De vogels trekken de tas naar buiten. De katten duwen de wieltjes over stukgebeten houten poten die her en der verspreid liggen.

Ze rijden tot vlak bij de Gemene man. Niemand kijkt naar hem. Alle blikken zijn naar boven gericht. De maan schuift voorbij, ze zwaait. ‘Ze zwaait naar de zon,’ roept Dwaaltje. Er springt een vonkje over. De boodschappentas beweegt. ‘Hé wat doe jij in mijn bed?’ ‘Bilanc!’ juichen de spoken. Maar in de lucht gebeurt iets raars. De maan staat stil. De zon komt dichter bij haar en wordt steeds feller. De Vleermuizenclub fladdert naar binnen, waar het veilig donker is. De stralen van de zon raken de maan. Bilanc klimt uit haar tas, stralend, sterk en groot. Sand komt achter haar aan. De spokenkoningin heft haar handen. Ze vangt een zonnestraal die van de maan afkaatst. ‘Geluk, klein, onschuldig zorgeloos Geluk!’ Ze lacht. Dan draait Bilanc zich om. Haar blauwgroene ogen worden koud en staalblauw. Ze knippert niet met haar wimpers en kijkt de Gemene man recht aan. IJspegels met scherpe punten kegelen uit haar ogen op hem neer. Hij slaakt een kreet. Wat over blijft is een plasje water rondom een kauwgombal.

Goede morgen, kiddo’s. Lekker geslapen?’ Mama trekt de gordijnen open. Dwaaltje en Sand wrijven in hun ogen. ‘Het wordt weer een prachtige dag vandaag,’ lacht mama. ‘Jullie ontbijt staat al klaar. Kleed je maar snel aan.’ Op de vensterbank zitten Stampertje en de mus. Stamper knipoogt.

nonfiXe, 29 oktober 2009

Afbeelding: Joost Sicking, Blauw naakt met vogel, olie op doek, 145x115cm, 1968