Geen boot naar Tripoli, wel de boemel naar Sidi Bou Saïd

De boot naar Tripoli vaart niet vandaag. We zitten in El Hana International hotel aan Avenue Bourguiba, Tunis. Om ons heen bedden en rolstoelen gevuld met Libische vrijheidsstrijders die naar Tunesië zijn gebracht om te herstellen. Kinderen met beide handen in het verband spelen in de lift. Deel I van de treinroof in Tunis. Bronmateriaal voor de roman ‘Asfour, over verraad’ door Caro Sicking.

De boot naar Tripoli vaart niet vandaag. Het schip ligt ergens in Griekenland waar het geladen wordt met duizenden flessen mineraalwater voor afgesloten Libische dorpen en steden. Gaddafi roert zich nog flink in Sirte en de berichtgeving over naderende val van die stad worden steeds meer in twijfel getrokken. Nog maar honderd pro-Gaddafi’s, zeggen de Freedom Fighters van de overgangsraad NTC. Waarom valt die stad dan alsmaar niet? vraagt de Tunesische ober zich af, terwijl hij de gewonden in het hotel verse muntthee brengt. We weten nog niet dat Muammar Gaddafi zelf zich tussen de laatste vechtersgroep bevindt.

Caro Sicking voor nonfiXe

We zitten in El Hana International hotel aan Avenue Bourguiba, Tunis. Om ons heen bedden en rolstoelen gevuld met Libische vrijheidsstrijders die naar Tunesië  zijn gebracht om te herstellen. Kinderen met beide handen in het verband spelen in de lift. Mannen met donkere ogen strompelen op krukken voorbij, onze blikken zoveel mogelijk mijdend. Het hotel is een hospitaal geworden. Er zijn geen toeristen. De enige Europeanen in het tien verdiepingen tellende gebouw, dat zijn wij. Naar Tunis gekomen om met een daarvoor gecharterd cruiseschip herstelde Freedom Fighters terug te brengen naar hun land. Over zee. Over land is te gevaarlijk en het duurt veel langer.

De uitnodiging kwam van een Tunesische vriend, met de vraag om de verhalen van Libiërs aan boord op te tekenen. Velen spreken enkel Arabisch. En ze zijn zwijgzaam, deze jongens die een oorlog hebben gevochten, argwanend tegenover vreemdelingen in de Libische enclave in Tunis.

El Hana is niet het enige hotel dat is omgeturnd tot ziekenboeg. Er zijn ongeveer 1 miljoen Libiërs doorgestroomd naar buurland Tunesië. Velen daarvan zitten in hotels en klinieken in Tunis. Op straat struikel je over de kraampjes met vlaggen, hangers, T-shirts en andere gadgets waarop het nieuwe Libië – rood/zwart/groen met witte halve maan en ster – schittert. Ondanks de sympathie die je voelt voor mensen die zich onder hun dictator uit vechten, is de sfeer beklemmend en bij tijden zelfs agressief. Niet vreemd overigens. Gewone jongens hebben ineens een wapen in hun handen gekregen en zijn gaan vechten, gewond geraakt, hebben kameraden verloren. Daarna zijn het geen gewone jongens meer. Bovendien hebben ze overduidelijk geld, de Libiërs. In tegenstelling tot de gastheren en vrouwen uit Tunesië die citronade en muntthee serveren met een glimlach maar voor wie melk niet meer voorradig is. De export van levensmiddelen naar buurland Libië heeft schaarste veroorzaakt en de prijzen in Tunesië omhoog gejaagd.

We ontbijten niet in El Hana tussen de vrijheidsstrijders die het buffet om acht uur ’s ochtends al geplunderd hebben. Een terras even verderop serveert goede koffie en croissants op de brede stoep in de zon.

Bericht van Mongi Farhani dat hij een dag later aan zal komen, wat betekent: vrij vandaag. Geen trip naar Tripoli en geen interviews met politici en facebook activisten. Carthago in de zon aan zee, een mooie bestemming.

De TGM rijdt met grote regelmaat tussen Tunis en Sidi Bou Saïd, veel stoppen, waarvan een in Carthago Hannibal. Schoolgaande kinderen springen op en af de rijdende trein, hangen in trosjes aan de buitenkant van deuren of houden deze open met hun lichaam. We rijden langs cruise schepen als flatgebouwen met daarop de spaarzame blanke blonde toeristen, geen Libiërs. Ieder station wordt vrolijk aangekondigd door gefluit van het locomotiefje en de zon schittert op de rails.

In Carthago zijn de straten verlaten. Grote witte huizen staan met gesloten luiken stil langs de weg. Deze rijke buurt is dood gevallen. Naast de geloken villa’s van ambassadeurs, voormalig regeringsfunctionarissen en al wat rijk is in dit arme land, liggen de ruïnes der Romeinen er even stil bij. De imposante archeologische sites zijn mensloos gelijk de straten. Carthago is thuis voor diverse gevallen machthebbers: Feniciërs, Romeinen, hedendaagse dictators. Megalomanie heeft eerst Bourguiba en later Ben Ali ertoe verleid om óp de site der antieken een paleis te bewonen. Groene wachthokjes voor bewakers meanderen mee met de witte paleismuur. Een trap verschaft rechtstreeks toegang. Grote lampen die ’s avonds de Thermen kunnen verlichten, wekken de verbeelding over feesten der dictators. Zou de dochter van Gaddafi, Aïsha die in het advocatenteam van Saddam Hoessein zat, hier haar verhouding met Berlusconi begonnen zijn? ‘Verboden te fotograferen in de richting van het paleis,’ staat op het bord naast een pad dat naar graven van Feniciërs leidt.

Terug in de trein met de open deuren en springende jongeren rijden we richting Sidi Bou Saïd, badplaats met wederom een paleis. Maar hier waren De Beauvoir en Sartre de dictator en ook ons voor. ‘Waar is de zee?’ ‘Door de Medina, langs de moskee, daar rechts en dan de trap af,’ antwoordt de man. Sidi Bou Saïd ligt op een berg. Om bij de zee te komen moet je eerst omhoog en daarna over een stenen trap naar beneden. (Bijna) vrijende paartjes bevolken de trappen. De meisjes luisteren verlegen opkijkend van onder hun hoofddoek naar lonkende woorden van bewonderaars. Iets wat een jaar geleden niemand durfde. ‘We gaan die trap straks niet naar boven lopen’, zeggen we na een kwartier afdalen en nog geen eind in zicht.

Uiteindelijk komen we langs een bouwplaats uit op de weg langszee. Aan de overkant is een kleine jachthaven met terras. Mensen flaneren over de boulevard. Een hond en kat imiteren een Disney film rondom een struik. Uiteindelijk verjaagt de kat de hond. Hier geen tekenen van oorlog. Hier geen bijtende armoede, geen vuilnis op straat, maar wel, zoals overal, gastvrije obers en koele citronade in de schaduw.

‘Je kunt alleen maar terug over de trap tenzij je een auto hebt.’ Hij glimlacht vriendelijk, zwarte tanden afgewisseld met gaten in zijn onderkaak. Voor ons lopen twee vrouwen en een blonde man. Een van de vrouwen draagt een niqab, de andere heeft gewoon een hoofddoek zoals de meesten. De man loopt voorop en wacht regelmatig goedmoedig grapjes makend. De vrouwen lachen en zuchten, trekken een sprintje omhoog om daarna stil te vallen. Schoenen uit, schoenen aan. ‘Kijk hij is ook een man, en hij hijgt ook,’ lacht een van hen en wijst naar Frank, terwijl we hen langzaam inhalen, door hen ingehaald worden en elkaar zo telkens passeren op de berghelling.

Het blijken drie Libiërs. De man is op pad met vrouwen van zijn broers. Eén broer ligt in Tunis in de El Manar kliniek waar zijn been behandeld wordt, twee schotwonden. Tunesië heeft de hele familie welkom geheten, zoals bij velen en volgens de wetten der gastvrijheid.

Frank en de man praten over voetbal, terwijl ik met de vrouwen voorop loop. We lachen om onze slechte conditie op deze lange bergtrap in de zon. De vrouw met de niqab wuift deze omhoog, ik kijk haar recht in haar bruine ogen, ‘pfffff, te heet’ en gezusterlijk klimmen we verder. Boven nemen we afscheid, zij gaan rechts, wij links en we kopen de enige souvenir van deze reis: een handje van Fatima voor een van onze dochters.

Op het station van Sidi Bou Saïd ontmoeten we onze Libische vrienden opnieuw. Vreemd omdat de meeste Libiërs in grote auto’s rondgereden worden. In de nu drukke trein raken we verspreid, maar de man zit tegenover ons, naast een Tunesische man. We raken gevieren in gesprek. Zij spreken Arabisch met elkaar en wij Engels met de Libiër en Frans met de Tunesiër. Toch is het een wonderwel begrijpelijke conversatie. Onze Libische vriend verwacht ieder moment een oproep voor de boot om met zijn familieleden terug naar huis te keren. Dezelfde boot als waar wij op wachten?

De jongen uit Tunesië ziet meer toekomst in Europa, Frankrijk met name, maar hij weet nog niet hoe dat aan te pakken. Nu werkt hij onder zijn kunnen in een hotel voor weinig loon.

Om ons heen raakt de coupé steeds leger. Alle jongeren zijn uitgestapt op drie na. Twee van hen hangen vertrouwd in de deur die ze zo open houden. We passeren het enige station waar de trein niet stopt, maar wel vertraagt. Een van de jongens schiet razendsnel tussen Frank z’n benen en grist zijn rugzak weg. In een flits springt hij uit de rijdende trein, gevolgd door de twee ‘portiers’. Frank is ook razendsnel. Hij springt de jongeren na… door de nog open deuren die na hem sluiten en verhinderen dat de Libiër ook jumpt. Ik zie de rode broek van Frank neer storten op, ja op wat…?

Deel I uit de reeks Treinroof. Deel II Ik heet Achmed. Als je iets nodig hebt, kun je me bereiken bij de kliniek El Manar. Deel III Het politie bureau van La Goulette

nonfiXe, 12 – 13 oktober 2011, Tunis

Bronmateriaal voor de roman ‘Asfour, over verraad’ door Caro Sicking

Eén gedachte over “Geen boot naar Tripoli, wel de boemel naar Sidi Bou Saïd”

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *