Acht jaar vocht ik, tegen de Sabina’s van de sociale dienst. Vrouwen achter een bureau die me stom werk laten doen. Ik vroeg steeds: Waarom? Ik stuurde emails en brieven. Nu ben ik niet meer kwaad. Ik lijk rustiger, maar ik eet mezelf. Ik reageer niet meer. Ik ben gezakt voor het examen van chauffeur. Ik kan me er niet toe zetten dat stomme boekje te pakken en die regels te leren. Ze zijn niet moeilijk. Ik kan goed denken. Ik lees de hele dag, Russische literatuur, Arabische verzen. Dat boekje wil ik niet zien. “Wat moet je doen als je een passagier naar Schiphol brengt en hij zet halverwege de rit een pistool tegen je kop om al je geld af te geven? Geef je het geld of niet? Dat soort vragen moet je beantwoorden om je diploma te halen. Ik kan er niet tegen. Ik ben als een kind of een kat die iets niet wil zien. Ik verschuil me onder een tafel of in een kast. Ik kijk niet naar dat boekje. Over twee weken mag ik dat examen nog een keer doen. Ik kan het gemakkelijk halen. Toch doe ik niets. Ik sluit mezelf op in mijn eigen wereld. Als een junkie lees ik. Mijn documentaire bevroren op een memorystick. Ik moet mijn camera pakken en iemand gaan interviewen, maar dan wil ik niet gaan. Dan ga ik niet. Ik blijf binnen in mijn eigen wereld.
Mijn ouders hadden altijd ruzie. Ze hielden niet van elkaar. Ze zijn slachtoffer van de Oosterse cultuur. Van de onderdrukking. Toch schopten ze Khalid op de wereld. Zonder liefde. Dat is misdadig. Je mag niet zomaar kinderen op de wereld zetten. Thuis was papa de baas, dan mama. Daarna mijn oudere broer. In het land was Khomeiny de baas. Overal dictators boven jou. Een jongen van achttien die gedwongen liegt om zijn vriendin te kunnen zien, verschrikkelijk toch. Mijn liefje moest liegen om haar huis uit te kunnen. Ik moest liegen om mama het huis uit te krijgen. Dan konden we stiekem samen zijn. Wat is dat voor een leven? Ik denk daar veel aan de laatste tijd.
Ik kijk steeds in de spiegel. Vluchten naar Rome, Turkije, Rusland. Wij komen in Rome aan en mijn vriend is blij: het beloofde land van vrijheid. Ik niet. Geen geld voor eten, geen geld voor een sigaret. We slapen op straat, in parken. “Maar ik ben Khalid,” dacht ik. Ik liep in slechte kleren en zonder schoenen naar het station. De mensen keken: Wat is dat voor een man? We raapten de tomaten op die van de kraam gevallen waren. Ik graaide in vuilnisbakken naar een broodje. Bah, kutbrood. Heb ik je wel eens verteld dat ik kauwgom van de straat raapte, een beetje waste en dan in mijn mond stak. Wie ben ik? Ik ben Khalid, Marxist, communist. Ik ben regisseur en criticaster van het regime: “Khomeiny weg!” Wie is er weg? Khalid is weg! Waarom kon ik mijn grote mond niet houden? In Teheran had ik een huis, een mooi huis. En liefde. Een warm huis met een mooie vrouw. Nu is alles weg. Waarom heb ik mijn mond niet gehouden?
Ik zal je een foto laten zien die is genomen toen ik net in Nederland was. Je zult ervan schrikken. Ik praatte met niemand. Mijn wangen waren hol. In OC Eindhoven vroeg een vrouw van de IND wie ik was. Ik ben Khalid. Ik ben filmer en journalist. Zij keek me aan. “Waar zijn je films en je artikelen?” Die heb ik niet. Ik ben gevlucht. Na negen maanden riep de IND me weer. Ze zeiden dat ze mijn interview kwijt waren. Ik wist dat het een test was. Als je liegt, ben je na zoveel tijd de details vergeten. “Ik ga het je nog een keer vertellen,” zei ik. “Ik vertel precies hetzelfde verhaal, want het is waar.”
Ik kon steeds vechten. Ik schreef, filmde en kritiseerde Saddam en de Islam in het Arabisch en stuurde mijn werk per post en email over de hele wereld. Ik was boos. Ik had veel kritiek. Nu niet meer. Ik ben moe en eet mezelf. Ik moet telefoons assembleren of post sorteren. Als een robot sta ik achter de machine. Een moderne slaaf. Ze noemen me Marokkaan, maar ik kom niet uit Marokko. Nu heb ik voor vier maanden een vergunning om kinderen met een busje van en naar school te brengen. Dat is afgelopen als ik dat diploma niet haal. Dan moet ik op de vuilniswagen staan en net als in Rome het afval van anderen eten.
Ik ben in mijn wereld. Ik kan er niet uit. Mijn binnenkant is vele malen groter dan mijn buitenwereld. Dat is niet goed.
nonfiXe, 180210

Plaats een reactie for “Monoloog van een regisseur uit Teheran”